Brochure, financiering frisse scholen

Onlangs is een boekje verschenen met “praktijkvoorbeelden financiering verfrissing scholen“. Om meerdere redenen een interessant boekje voor ons. Als eerste natuurlijk omdat het hier om praktijkvoorbeelden gaat en uit de praktijk valt wellicht het meeste te leren. Als tweede was een project over frisse scholen voor ons een van de aanleidingen om met slimmefinanciering.nl te beginnen. Inmiddels al weer een jaar of drie geleden liepen we er tegenaan dat frisse scholen een enorm rendement hebben, zowel financieel als maatschappelijk, maar dat de financiering moeizaam ging. Dit voorbeeld wordt ook al aangehaald in onze serie over rendement.

Vanuit het rijksprogramma energie en gebouwde omgeving is er geen ondersteuning meer voor  maatregelen bij scholen. Marktpartijen moeten het daarom oppakken. De brochure laat15 voorbeelden zien van succesvolle financiering van frissen scholen. Financiering blijkt namelijk één van de belangrijkste barrières te zijn bij het verfrissen van scholen.

Om maar meteen de knuppel in het hoenderhok te gooien, ik ben teleurgesteld in deze brochure. Dat komt niet zozeer door de brochure als wel door de projecten. Van de 15 projecten zijn er twee door marktpartijen gefinancierd en is er bij één constructie met marktpartij bedacht maar uiteindelijk niet toegepast. En die andere 12? Daarvan hebben er 6 rijkssubsidie gekregen (maar die valt weg) en hebben er 5 aanvullende financiering gekregen van gemeenten. Overigens geldt voor de projecten met rijkssubsidie dat ook hier een paar projecten financiering van de gemeente kregen. Blijft er nog één over, daar hebben ze de bestaande budgetten (ook gemeente en schoolbestuur) slim aangewend.

Kort samengevat blijven er m.i. drie interessante projecten over:

  • Financiering door marktpartij (weliswaar 2 projecten maar vallen onder dezelfde stichting)
  • De mislukte financiering door een marktpartij
  • Slim gebruiken van bestaande budgetten

Financiering door een marktpartij. Allereerst is een beheermaatschappij opgericht die het gebouw heeft gekocht, deze B.V. is verantwoordelijk voor het beheer, onderhoud etc.. De B.V. heeft geld geleend van een bank voor de financiering van groot onderhoud en verfrissing. Het schoolbestuur betaalt vervolgens huur aan de B.V., een vast bedrag gedurende de looptijd. Hierin is alle verdisconteerd, huur, onderhoud, energielasten etc..

De mislukte financiering. In deze casus was er de keuze tussen een dure en een goedkope variant. Waarbij de dure variant op lange termijn beter en goedkoper zou zijn door minder energiegebruik, maar met een hogere aanvangsinvestering. De voorgestelde oplossing was dat een installatiebedrijf eigenaar blijft van het nieuwe ventilatiesysteem en tevens het onderhoud uitvoert. Daarvoor ontvangt het bedrijf een jaarlijkse vergoeding van de school. Na tien jaar is de school eigendom van de installatie. Het betreft dus een vorm van eigendom afstaan om zo de uitgaven in de tijd te kunnen spreiden. Voordeel van deze constructie is tevens dat gebruik kan worden gemaakt van belastingmaatregelen zoals bijvoorbeeld de EIA (Energie InvesteringsAftrek). Belangrijkste reden dat de constructie niet is doorgegaan zijn personele wisselingen bij het schoolbestuur en het ministerie van OCW dat de constructie niet kon fiateren.

Slim gebruiken van bestaande budgetten. Hier heeft de scholengroep heel traditioneel gekeken hoe verfrissing gefinancierd kon worden. Kritisch zijn de onderhoudsplanning en budgetten onderzocht. Door te kijken of gepland onderhoud wel echt nodig is (niet altijd dus) komt geld vrij waarvan de rente gebruikt kan worden voor financiering van verduurzaming. Deze redenering is niet alleen in de tijd toegepast (uitstellen) maar ook tussen de verschillende locaties. De schotten die tussen de budgetten zitten zijn weggehaald en vervolgens is gekeken hoe het geld het beste ingezet kan worden. Traditioneel, niet innovatief maar wel heel slim en effectief.

Wat kunnen we hier nu van leren?

  • Als eerste dat het heel veel scholen en gemeenten blijkbaar niet is gelukt om verfrissing van een school duurzaam gefinancierd te krijgen. Er moet geld bij vanuit de overheid wat overigens prima te verantwoorden is als je alle maatschappelijke kosten en baten meetelt. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat de financiering vanuit de overheid maakte dat niet verder gezocht is naar andere constructies.
  • Als tweede dat de constructies die gebruikt worden niet revolutionair zijn. Ik bedoel dat positief, waarom iets nieuws bedenken als er al in de praktijk bewezen constructies zijn. We horen vaak dat het innovatief en vernieuwend moet zijn maar de brochure is haast een pleidooi om gebruik te maken van constructies die al jaren bestaan. Geld lenen en / of eigendom afstaan, zo simpel is het eigenlijk.
  • Als derde dat je bovenin onze beslisboom moet werken aan je doel en efficiency. Ik vind het vierde voorbeeld wat dat betreft erg mooi. Onderhoud is geen doel op zich maar doe je voor een ander doel, zo zijn ook de budgetten per gebouw geen doel op zich maar zijn ze er voor het hogere doel. Het gaat om een gebouwenvoorraad waar je goed onderwijs in kunt verzorgen, waar mensen niet ziek in worden, die niet tot onverwachte financiële uitgaven leidt (bijv. a.g.v. Achterstallig onderhoud), die je tot in lengte der jaren kunt financieren etc.. Wanneer het doel centraal staat en niet het middel blijkt er meer mogelijk. Of anders gezegd er blijkt minder noodzakelijk te zijn en zo ontstaat ruimte voor andere uitgaven.

Stijn van Liefland

 

 

Plaats een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*