Tag archieven: verdienmodellen

Alternatieve financiering Rural Alliances

Vorige week is tijdens een bijeenkomst van ‘Rural Alliances’ in Leuven een boekwerkje gepresenteerd over alternatieve financieringssystemen voor het platteland. De publicatie is hier te downloaden.

Deze publicatie sluit nauw aan bij de filosofie en het (oorspronkelijke) aandachtsgebied van ‘slimme financiering’. Ook heeft de studie overeenkomsten met de eerdere publicatie over nieuwe verdienmodellen van ‘Nederland onder Water’. Het idee is/was antwoord te geven op de vraag: als ik er met de bestaande financiële mogelijkheden niet meer uit kom, wat zijn dan nog de alternatieven (om te blijven doen wat ik doe)? Dus als ik minder subsidie krijg en niet meer bij de bank terecht kan: wat dan?

We gaan in enkele afleveringen nader op deze publicatie in. We beginnen met de aanpak waarvoor is gekozen (1), dat doen we in deze aflevering. Vervolgens kijken we of er nieuwe financieringsvormen boven tafel zijn gekomen (2) en tenslotte kijken we naar de algehele conclusies en aanbevelingen (3).

De aanpak

Ondanks dat de auteur Sylvie Foselle bekend is met onze aanpak (vorig jaar heeft ze ons voor haar publicatie geïnterviewd, jammer dat we nergens in de publicatie als bron worden genoemd) heeft zij voor een andere indeling gekozen. Dan is het natuurlijk leuk beide aanpakken eens naast elkaar te leggen.

Onze beslisboom heeft in sterk vereenvoudigde vorm de volgende opzet:ScreenShot112Wij kijken altijd eerst of je het zelf intern kunt oplossen. Normaal wordt dat geen financiering genoemd. Je kijkt of je efficiënter kunt werken (minder kosten maken) of dat je meer kunt verkopen (meer opbrengsten genereren). Misschien kom je er zo wel uit en heb je niet langer subsidie nodig en/of hoef je niet meer bij de bank aan te kloppen.

Pas dan, als in een tweetrapsraket, ga je naar buiten kijken. In onze beslisboom zijn er dan 4 mogelijkheden van externe financiering. Ofwel krijg je geld, dat is bijvoorbeeld subsidie of een gift. Ofwel ga je geld lenen, dat is bijvoorbeeld een lening bij een bank. Ofwel sta je je eigendom af, dat is bijvoorbeeld huren of leasen. Ofwel doe je tenslotte ‘financiering van onderaf’. Dat laatste is een grote verzamelpot van vormen van financiering die we op een andere manier niet kwijt konden, en dat is wat wij ‘alternatieve financiering’ noemen. Dat kan gaan om ruilen van goederen (of tijd, of arbeid) of bijvoorbeeld om het introduceren van een alternatieve eigen munt.

Rural alliances

De aanpak die Sylvie kiest komt in mijn versimpelde notatie op het volgende neer:

ScreenShot113Om te beginnen wordt alles ‘alternatieve financiering’ genoemd. Daar is wat voor te zeggen: alles wat je maar anders kunt doen als je geen/minder subsidie krijgt en niet meer bij de bank terecht kan.

Er zijn hier vier mogelijkheden: krijgen, verkopen, ruilen of (het oprichten van) een coöperatie.

Krijgen

Als je geld krijgt is dat een oplossing. Met name als je het niet hoeft terug te betalen. Als je het wel terug moet betalen dan spreekt men in het algemeen van een lening. Een lening krijg je dus niet zomaar, er zal eerst gekeken worden door de geldverstrekker of je überhaupt in staat zult zijn ooit de hoofdsom terug te betalen (vandaar onze eerdere stap: heeft deze operatie voldoende intrinsiek rendement). Maar met name de mogelijkheid van ‘zachte leningen’ is hier wel een vorm van alternatieve financiering. Bij een zachte lening zou je kunnen stellen dat je de normale rente krijgt kwijt gescholden, een vorm van krijgen dus.

Als je niet terug hoeft te betalen dan is echt sprake van krijgen. Soms is er helemaal geen sprake van een tegenprestatie, bijvoorbeeld bij een donatie of een subsidie. Soms is er wel sprake van een tegenprestatie. De laatste wordt in mijn beleving al verwarrend. Je zou kunnen zeggen dat een lidmaatschap (leden die betalen voor hun lidmaatschap) een vorm van geven/krijgen is maar met een tegenprestatie. Immers, je moet de leden wel wat bieden (een reisje, een nieuwsbrief etc). En crowdfunding valt in deze indeling soms ook onder ‘krijgen + tegenprestatie’. Bij crowdfunding krijg je bijvoorbeeld korting op de cd van de artiest die je sponsort.

Verkopen

Om je problemen op te lossen kun je ook creatief nagaan wat je nog allemaal (extra) kunt verkopen. Syvlie noemt hier als voorbeelden het verkopen van streekproducten of het heffen van entree-gelden (voor toerisme en recreatie). Strikt genomen zou ik dat geen alternatieve financiering noemen, dat is gewoon een kwestie van het eigen huis op orde brengen. De meeste publicaties over ‘nieuwe verdienmodellen’ besteden overigens hier de meeste aandacht aan.

Ruilen

Dan hebben we als derde mogelijkheid ‘ruilen’. Dat kun je rechtstreeks doen dus het ruilen van het ene goed tegen het andere goed (.. dienst). Op kleine schaal gebeurt dat wel: als jij hier het gras maait, dan krijg je melk of kaas van mij. Maar je kunt dat lokaal ruilen ook wat handiger opzetten door te werken met een eigen lokale munt. De munt is dan als het ware de ‘boekhouding’ die onderling uitspreekt wie waar recht op heeft. De publicatie gaat op deze thematiek (het opzetten van een eigen lokale munt) uitgebreid in. Dat is onderscheidend voor deze publicatie, het opzetten van een eigen lokale munt is niet zo voor de hand liggend.

Coöperatie

Tenslotte kun je je problemen ook oplossen door anders te organiseren, door meer en beter samen te werken. Dat kan natuurlijk op allerlei manieren, maar hier is gekozen voor het verder uitdiepen van de coöperatieve organisatievorm. In onze beslisboom zouden we dat misschien een vorm van efficiëntie noemen: samen inkopen, samen aan marketing doen. Maar er is veel voor te zeggen de coöperatie een vorm van alternatieve financiering te noemen.

Soms heeft de coöperatie als doel elkaar te helpen (de win-win op te zoeken). Dan is sprake van mutual benefit. Soms ook gaat de coöperatie bewust verder en wil het ook nog een positief effect op de omgeving bewerkstelligen (waardoor de coöperatie verder gaat dan de aangesloten leden, een social impact heeft).

Verschillen en overeenkomsten

Uiteindelijk komt deze publicatie tot ruim 30 verdienmogelijkheden.De mogelijkheden worden netjes in een tabel samengevat en beoordeeld op 5 dimensies: schaal (klein/groot), rol overheid (wel/niet), sociale impact (wel/niet), opstartkosten (laag/hoog) en complexiteit (laag/hoog). Zo ontstaat een mooi overzicht van wat beschikbaar is en wat wel of niet in een specifieke situatie kan helpen.

We gaan in de volgende aflevering kijken welke verdienmogelijkheden dat zijn. De indeling van de mogelijkheden is wat anders dan zoals wij die hanteren. Maar dat is natuurlijk ook een kwestie van smaak.

De indeling van deze publicatie oogt wel wat vriendelijker en intuïtiever. Misschien is die van ons te gezocht of te stijf. Wij kunnen nog eens nagaan of we naast onze bestaande beslisboom een meer intuïtieve versie kunnen maken. Ook de scoringstabel is iets waar wij nog van kunnen leren, prima werk.

Maar er zijn ook wat fundamentelere verschillen:

  • De basisvraag of je überhaupt met een ‘goede business-case’ van doen hebt, wordt hier niet gesteld. Soms is het beter te stoppen of iets anders te gaan doen. De vraag of wat je doet bijdraagt aan het bereiken van je doelen (en wat die doelen dan zijn) is voor ons belangrijk en gaat vooraf aan het zoeken naar nieuwe verdienmogelijkheden.
  • De vraag of je wat je doet slimmer/beter/handiger/sneller kunt doen is in deze publicatie wat onderbelicht. De vraag naar een hogere efficiency als ‘alternatief financieringsmodel’ komt nauwelijks aan de orde. In de praktijk is in onze ervaring juist hier het meest te halen. Je zou overigens kunnen stellen dat de uitgebreide aandacht voor de coöperatieve samenwerkingsvorm een voorbeeld van hogere efficiency is.
  • De coöperatieve gedachte krijgt ruim aandacht in deze publicatie. Het gaat hier om een vorm van ‘anders organiseren’.
  • De lokale munten krijgen ruim aandacht in deze publicatie. Ook dat zou je kunnen zien als een andere vorm van organisatie en dus ook van efficiëntie.
  • Ook sterk aan deze publicatie is dat ruim wordt ingezet op de relatieve betekenis van geld. Geld is slechts een middel om een doel te bereiken. Uiteindelijk ligt er ‘achter geld’ altijd iets harders zoals tijd, arbeid, spullen. Financiering gaat dus niet over geld maar over het (hoe dan ook) mogelijk maken van zaken die belangrijk zijn.

 

Ik heb me natuurlijk afgevraagd waarom er wat minder aandacht is voor het verhogen van efficiency (kostenreductie) en het verhogen van de opbrengsten. En omgekeerd juist meer aandacht voor de zaken die anders wat onderbelicht blijven: het opzetten van een coöperatie en het introduceren van lokaal geld. Mijn vermoeden is dat de auteur hier heel goed heeft aangevoeld wat de doelgroep wil horen en wat vooral niet.

Rudy van Stratum

 

 

Brabantse natuur naar de markt

‘De natuur is ook een exploitatie-bv’ kopt het Brabants Dagblad vandaag 3 januari 2014. De bezuinigingen op de natuur/parken blijft een actueel thema. Buck Consultants heeft in 2013 onderzoek verricht naar mogelijke verdienmodellen voor enkele Brabantse natuurparken. Later zullen we wellicht dieper ingaan op de conclusies van de rapporten zelf. Nu is de aanleiding én bron het betreffende artikel in de krant.

Redenering

De redenering is simpel. De overheid heeft minder inkomsten, moet dus bezuinigen en heeft ook minder geld beschikbaar voor de natuur. Kortom: minder subsidie. En dus moeten de parken hun eigen broek (meer) ophouden, ondernemer worden en ‘verdienmodellen’ introduceren. Enkele key-players rondom de vier Brabantse parken worden geïnterviewd en doen (met het rapport van Buck op het bureau) enkele uitspraken over mogelijke oplossingen.

Verdienmodellen

Nogmaals: ik baseer me vooralsnog uitsluitend op het krantenartikel. Welke oplossingen blijven ‘hangen’ bij de betrokkenen en om welke bedragen gaat het dan. In een mindmap:

Biesbosch naar de marktIn het geval van park Biesbosch (nationaal park sinds 1994, 90 vierkante kilometer) gaat het om de uitdaging er zelf €1.000.000 bij te harken. Het artikel vermeldt niet of dat per jaar is of over een bepaalde periode van meerdere jaren. De bestuurders hinken een beetje op twee gedachten: natuurlijk moet er bezuinigd worden en wij vinden dat we zelf ook meer creatief en ondernemend moeten zijn, maar: best raar want elke euro subsidie in de natuur levert de maatschappij 4 euro op. Dit laatste is natuurlijk interessant en voor ons een mooie uitdaging te achterhalen waar die uitspraak op is gebaseerd.

Kortom: aan de slag met verdienmodellen. Welnu, een hek rondom ‘onze’ (Brabantse) parken is geen optie, zoiets is alleen weggelegd voor de Hoge Veluwe. Het meest kansrijk en praktisch (mijn subjectieve inweging op basis van de tekst) is het heffen van parkeergelden. Een bedrag van € 2 / dag wordt haalbaar geacht, dat is de prijs van een ijsje immers. Vervolgens is een waterwin-opslag kansrijk, met een opslag van een-duizendste cent per kuub water. Dan het beroemde kopje koffie waar wordt gesproken over een opslag van € 0,10 per kopje. Biomassa (rooien van hout voor verbranding / energie) wordt als onvoldoende rendabel ingeschat. Watersporters kunnen vrijwillig een vaantje voor op hun boot kopen voor € 40-50. En tenslotte gaat de rondvaartboot de verkoop in zodat de exploitatiekosten voor rekening van de nieuwe eigenaar zijn.

De bijbehorende begroting en hoe die € 1.000.000 wordt behaald ontbreekt in het artikel maar zal ongetwijfeld in de achterliggende rapporten worden becijferd (nogmaals: gaan we nog naar kijken). De conclusies zijn globaal wel in lijn met een eerder onderzoek dat we voor InnovatieNetwerk hebben verricht.

Rudy van Stratum

Verdienmogelijkheden groen in economisch perspectief: een reactie op een reactie

Vooraf

Hans Kamerbeek heeft een uitgebreide reactie geschreven op ons eerdere onderzoek naar de verdienmogelijkheden groen in economisch perspectief. Wij mogen heel blij zijn met iemand die zo betrokken is bij de sector en de moeite heeft willen nemen zo serieus naar de studie te kijken. We hebben een aantal weken geleden een prettig gesprek gehad met Hans (we mogen dus Hans zeggen) en besloten de kritiek van Hans te publiceren. De kritiek is best stevig, dus wij vinden dat een weerwoord wel op zijn plaats is.

De belangrijkste conclusie van mijn reactie (die ik nog zal toelichten) is dat de kritiek minder heftig is dan ie misschien lijkt. Het verschil tussen Hans Kamerbeek en ik (wij, ik zal voor het gemak hieronder maar op persoonlijke titel schrijven) is dat we een andere manier van kijken hebben. Ik denk dat het ene kan kloppen en het andere ook ‘waar’ kan zijn, afhankelijk van de pet die je opzet of de bril van waaruit je kijkt.

De micro-beslisboom

Om maar met de deur in huis te vallen: onze manier van kijken is inderdaad macro van aard en dat betekent helaas ook dat de individuele beheerder hier weinig mee is geholpen. Wij zagen het ook als deel van onze opdracht een ‘micro-beslisboom’ voor de individuele beheerder te maken. Dus een lijstje dat je systematisch kon aflopen met vragen als:

– heeft u een groot of een klein terrein?

– is het nat of droog (welke vegetatie en grondsoort)?

– is het groot of klein(er)?

– ligt het nabij een snelweg en/of grote bevolkingspopulatie?

– etc

Vervolgens wilden we aan de hand van de feitelijke arealen op de landkaart van Nederland met kleuren aangeven op welke plekken hoeveel ‘punten’ zouden worden gescoord die een indicatie zouden geven van de meest geschikte verdienmodellen.

Na diverse pogingen dit voor elkaar te krijgen hebben we dit deelonderzoek gestaakt. We hebben het kortweg niet voor elkaar gekregen, te complex, te weinig tijd. Gelukkig lees ik bij Kamerbeek dat het misschien niet aan ons onderzoekers ligt maar aan de weerbarstigheid van de materie. Maar misschien ligt het ook wel aan mij, ik heb ook mijn beperkingen. Ik sluit nog steeds niet uit dat zo’n opgaaf tot iets moet kunnen leiden. In ‘principe’ zou het moeten kunnen.

Ondernemerschap als tovermiddel

Dan nog een klein stukje actualiteit op micro-niveau. Vorige week was ik bij een bijeenkomst met ongeveer 25 personen waaronder een groot aantal bosbeheerders. Hier stond precies onze problematiek centraal en ook Hans Kamerbeek was present. Nu zal Hans ongetwijfeld weer andere zaken hebben ontdekt tijdens deze bijeenkomst dan ik.

Maar ik vond in mijn gesprekken met de beheerders veel herkenning van onze conclusies. Ja, er lijkt heel veel te kunnen, maar in de praktijk is het verdomd lastig er een boterham mee te verdienen. Met name het verhaal van Patrick Jansen, directeur van Probos, sloot in mijn beleving naadloos aan op onze conclusies. Patrick (man van de praktijk, maar tja ook weer eentje met een beleid en advies accent) stelde dat het gouden ei er niet bij zat. Wat je nu doet nog beter en slimmer doen (meer efficiency betrachten) dat levert nog steeds het meeste op. En natuurlijk blijven nadenken over nieuwe kansen. Maar ook: laat je niet gek maken, blijf bij je core business.

En de opmerking van Patrick die uit mijn hart was gegrepen: ‘ondernemerschap dat is leuk, maar jongens laten we eerlijk zijn, wij hier bij elkaar zijn nu eenmaal niet die ondernemers. Dan hadden we geen stukje bos gehad maar iets heel anders gedaan.’ Ondernemerschap is een nieuw toverwoord voor de crisis en een voorbeeld van een klassieke denkfout. Ondernemerschap heeft een romantische waas over zich, je kunt er niet tegen zijn en het is o zo mooi. De paradox is: ondernemerschap is macro bezien een geweldige uitvinding, iedereen zou moeten ondernemen, dat is het beste voor ‘de economie’. Maar micro is ondernemerschap en het nemen van risico’s vaak helemaal niet zo slim. Door een ingebouwde psychologische denkfout (‘ik ben beter dan de rest’, ‘mij overkomt dat niet’) is een ondernemer geneigd zichzelf te overschatten. Voorbeelden waarbij het fout afloopt komen niet in de geschiedenisboeken terecht. Zie ook mijn blog: http://www.slimmefinanciering.nl/?p=2561

Ik ga niet alle punten van Kamerbeek behandelen. Ik licht er een toch nog groot aantal punten uit. In het ‘kopje’ van de paragraaf parafraseer ik de kritiek van Kamerbeek en in de uitwerking is mijn reactie te vinden.

20% verdienmodellen zorgen voor 80% inkomsten. Klopt, maar geldt voor alle startende bedrijven en ik mis de onderbouwing.

Klopt. Sterker nog: deze stelling klopt bijna altijd, ook voor bestaande bedrijven. Reden te meer om aan te nemen dat hij inderdaad ook hier klopt. Een van onze doelen was juist reliëf in het landschap aan te brengen. De stelling is dan wel niet nieuw, maar het gaat er dan natuurlijk om aan te wijzen wélke verdienmodellen met name dan die 80% uitmaken. Wij hebben hier in ieder geval een uitspraak over gedaan, hetgeen in deze context nog niet eerder het geval was. De uitspraak is dus dat je met verbetering van bestaande verdienmodellen (oogsten) en met samenwerken / bezuinigen die 80% te pakken hebt. De onderbouwing kan alleen al bestaan uit een verwijzing naar andere sectoren (precies zoals Kamerbeek stelt), maar ook door naar het McKinsey onderzoek te verwijzen. Kamerbeek stelt zelfs in zijn andere vragen/opmerkingen dat je alleen al met bezuinigen de beoogde doelstelling kan realiseren (sic! Waarmee hij zijn eigen onderbouwing alsnog geeft). De vraag die overblijft is dan: zijn er nog andere (vergeten) verdienmodellen die ook fors kunnen bijdragen aan de doelstelling, dus laten we zeggen meer dan € 10 mln per jaar landelijk extra kunnen genereren. Het is niet uit te sluiten maar wij hebben ze via gesprekken en literatuur (met indicatie voor kwantificering) niet kunnen vinden.

Kamerbeek voegt nog toe dat de extra omzet met verbeterde oogst twijfelachtig is. Het recente rapport van het LEI geeft op dit punt inderdaad te denken. Zelf bij hoge houtprijzen is het rendement marginaal en voorzien van flinke subsidies. Aan de andere kant zijn de gemaakte kosten in het Zuiden van het land fors lager dan elders. En in onze definitie is oogsten een veel breder begrip. Daar zit ook bij biomassa, teelt van eetbare producten etc etc. Ook Patrick Jansen gaf in zijn betoog een aantal voorbeelden van hoe je flink goedkoper kunt werken en meer kunt oogsten. (En: een eerder gesprek dat Stijn had met het bosschap gaf aan dat we lang niet al het potentieel benutten in Nederland. Aannemend dat hout oogsten meer oplevert dan het kost leidt meer oogsten dus tot meer rendement.)

Van de 101 verdienmodellen van Waardevol Groen zijn er slechts 66 in het overzicht terecht gekomen. Er zijn hierdoor in het onderzoek essentiële verdienmogelijkheden gemist.

Het is inderdaad jammer dat niet alle mogelijkheden netjes in ons overzicht terug komen. Wij willen echter op hoofdlijnen zicht bieden op de potentie van de mogelijkheden ‘als categorieën’ (juist om het grote aantal terug te brengen naar de kern). De vraag is dus of we een grotere categorie verdienmogelijkheden (met potentie) over het hoofd hebben gezien. Ik kan het niet helemaal uitsluiten, maar zover ik kan nagaan vallen alle mogelijkheden die Kamerbeek in zijn reactie opsomt onder de 14 hoofdcategorieën die wij gebruiken in ons onderzoek. En dan nog is het niet voldoende als er een paar mogelijkheden niet terugkomen. De vraag is of deze mogelijkheden een flinke invloed kunnen hebben op de totale verdiencapaciteit en/of ze onze rangorde en prioritering zullen beïnvloeden. Ik zie vooralsnog niet in dat dat het geval zal zijn. De mogelijkheden die Kamerbeek noemt zijn 1) zeker interessant, 2) maar vallen in principe onder bestaande hoofdcategorieën, en 3) zullen het grote verhaal niet wezenlijk beïnvloeden maar dat sluit zeker niet uit dat het interessante mogelijkheden zijn voor de individuele groenondernemer.

De enquête is niet representatief. De respondenten zijn te beperkt qua samenstelling om een bruikbaar resultaat op te kunnen leveren. De uitkomsten die het dan wél oplevert zijn voor de groep respondenten niet verrassend.

In essentie helemaal eens. Door tijd en budget (en daarmee samenhangende beschikbaarheid van database aan adressen) waren we genoodzaakt met een beperkte set adressen te werken. Ook in ons rapport vermelden we al dat we niet gelukkig met deze steekproef zijn en dat de resultaten zeker niet wetenschappelijk of representatief genoemd mogen worden. Maar betekent dat dan ook dat de uitkomsten niet waardevol of betrouwbaar zijn? Daar kan ik twee reacties op geven. Op de eerste plaats is het goed te zien dat de uitkomsten van deze niet helemaal representatieve groep geen grote uitschieters laten zien en een homogeen beeld neerzetten. Dat geldt ook voor de kandidaten die niet in de oververtegenwoordigde groep onderzoek/beleid zitten. Maar toegegeven: dat kan toeval zijn. Een tweede reactie is dat we aanvullend interviews hebben gehouden en literatuur hebben bekeken. Ook daar kwamen geen overtuigende andere verdienmodellen uit naar voren met potentie in de orde van grootte zoals hiervoor besproken. Ook nu zou je weer kunnen zeggen: de geïnterviewde personen komen óók uit datzelfde veld van onderzoek en beleid. En ook literatuur zal vaak gebaseerd zijn op wederom diezelfde niet goede afspiegeling van de totale groen-populatie. Ik denk dat hier zeker een punt ligt. Maar als er zo’n vermoeden bestaat (er is a priori overigens geen reden om aan te nemen dat hier een ernstig punt ligt, maar het zou zoals gezegd kunnen) dan is de enige manier om daar achter te komen: nieuw onderzoek doen met een grotere en betere adressenlijst.

De enquête vraag naar gemiddeld rendement voor een terrein levert geen goede informatie op. Er zijn geen modellen die op bijna alle terreinen van toepassing zijn. Hooguit geldt dat voor samenwerking en hogere efficiency.

Tja, dit is volgens mij best een ingewikkelde. Mijn redenering is als volgt. Stel dat elke ondernemer zou doen wat in zijn kunnen ligt met zijn terrein en met zijn creativiteit (of zich daar een beeld van zou vormen). En we tellen dat allemaal bij elkaar op: dan wil ik graag zien of er bepaalde terreinen en bepaalde oplossingen boven komen drijven en een zekere massa en universaliteit hebben. Kamerbeek lijkt de stelling te poneren: daar kan nooit een universeel model (behalve het al genoemde van samenwerking) uitkomen. Ik kan daar op voorhand niet mee eens zijn. Dat moet blijken. Deels krijgt Kamerbeek wel gelijk, ook in ons onderzoek, omdat ook wij samenwerking en efficiency-verhoging vinden. Maar we vinden nog enkele tussen categorieën zoals het heffen van entreegelden.

Maar, en dan komen we weer een eerder punt uit, je moet dan wel een grote groep goede respondenten hebben die hun best doen voor hun terrein en met hun creativiteit dat beeld te vormen. Dan krijg je vanzelf goede gemiddelden. Maar ook kun je mensen met een overall-visie uit het veld vragen zich dat beeld te vormen op basis van al hun ervaring, al hun kennis, al hun gesprekken en alles wat ze gelezen hebben. Ook dan krijg je indirect een beeld van gemiddelden.

Kamerbeek voegt hier nog aan toe dat enquêtes principieel niet kunnen omdat ze (per definitie) een achterhaald beeld geven, een blik op het verleden. Maar we hadden toch juist veel mensen uit onderzoek en advies erbij zitten? En er zijn toch regelmatig bijeenkomsten met beheerders over dit onderwerp? En Hans heeft toch zijn prachtige boek ‘Waardevol Groen’ geschreven, helemaal gebaseerd op de praktijk en gesprekken met mensen uit het veld? Of zijn het niet de beheerders die dit boek tot zich nemen? Maar de mensen uit de al oververtegenwoordigde groep ‘beleid en advies’? Is een goede verspreiding van het bestaande boek bij de juiste doelgroep dan niet van een hogere prioriteit dan het maken van een vervolg met nog meer verdienmodellen? Persoonlijk denk ik dat informatie (of een gebrek daaraan) niet meer de bottleneck is. Ik zou van Kamerbeek verwachten dat hij het hier mee eens is: er is niet behoefte aan meer informatie maar aan meer ondernemerschap. Maar meer ondernemerschap krijg je niet door te schrijven over ondernemerschap.

Er is geen goed cijfermatig beeld van de totale bestedingen van geldstromen in het groen. Dat is al lang bekend. En dat maakt onderzoek dan ook moeilijk.

Ik ben blij bevestigd te krijgen dat goede cijfermatige informatie lastig is te vinden. Het heeft ons veel extra tijd gekost om het plaatje te maken dat er nu ligt. Wat hadden wij dan moeten doen? Naar EZ bellen had ons snel de bevestiging opgeleverd, maar dan hadden we het erbij moeten of kunnen laten. Wij vonden dat er voldoende lag om ‘op hoofdlijnen’ die puzzel te kunnen liggen met de uitdaging erbij: als iemand denkt dat het heel anders ligt dan horen we dat graag. Ik ben best trots op het plaatje, het is een stap in de goede richting en zoiets ligt/lag er nog niet. Is het dan zomaar een gok in het wilde weg? Nee, zeker niet, anders hadden we het niet gepubliceerd. We hebben uit diverse hoeken getallen bij elkaar geraapt en dit beeld ontstaat er binnen zekere marges uit. Voor onze doelstelling is dit beeld dan ook een prima vertrekpunt. Ook hier geldt: we dagen iedereen uit met een eigen en beter geldstromen-overzicht te komen. En ook als er wat hogere of lagere bedragen her en der uit komen dan nog zal het de belangrijkste conclusies van het onderzoek niet zomaar onderuit halen.

Sponsoring is meer dan het plaatsen van reclameborden. Dat lees ik niet terug.

Mee eens. Sponsoring is meer. Maar zo hebben we het ook bedoeld te zeggen. De reclameborden zijn alleen als voorbeeld genoemd om te laten zien dat alleen al dit kleine onderdeeltje van sponsoring een fors bedrag zou kunnen opleveren (nog los van of je dat ook wilt!). Totale sponsoring kan dus een groter bedrag opleveren dan door ons genoemd (aan de andere kant is het bedrag voor reclameborden een maximum bedrag, dat zal in de praktijk lager worden, dus vooralsnog zou ik de prognose voor sponsoring in de rangorde zo laten staan).

Crowdfunding leent zich minder goed voor beheer (past dus niet in essay). Wel kan het om grote bedragen gaan en zal het niet/minder ten koste gaan van donaties.

Interessant punt ook. Crowdfunding is inderdaad projectmatig en dus niet regulier. Op macro-niveau daarentegen zou het best kunnen dat er jaarlijks x projecten ontstaan rondom een specifieke actie mbt beheer die dan in totaliteit jaarlijks een y bedrag voor ‘regulier beheer macro’ oplevert. Zo hebben we hem bedoeld. Je zou bij toerbeurt kunnen afspreken elk jaar een thema rond beheer op te kunnen pakken via crowdfunding. Het andere punt, dat het niet ten koste van donaties zou hoeven te gaan, daar moeten we varen op wat enkele van onze gesprekspartners meldden. Een burger schijnt een redelijk vast bedrag per jaar uit te geven aan goede doelen. Het is zelfs zo dat meer acties in de kunst ten koste gaan van natuur. Er zijn meerdere bronnen die wijzen op sterke substitutie-effecten en dat wordt nog versterkt door de economische crisis. Maar, als Kamerbeek’s twijfel klopt, des te beter want dan hebben we er weer een fors verdienmodel bij en hoeven we ons daar minder zorgen om te maken. Ik ben overigens benieuwd naar de onderbouwing van Kamerbeek mbt de niet-concurrerende werking van donaties versus crowdfunding.

Laatste nieuws: in de Volkskrant van deze week (maandag 14 oktober) stond een artikel met zwaar tegenvallende resultaten van crowd funding t.b.v. de wetenschap. Weliswaar een andere niche, maar het lijkt of de hype weer op zijn retour is. Vele sites lijken te zijn gestopt of over te zijn gegaan op andere manieren van verdienen en financieren. Stijn zal binnenkort een blog wijden aan dit recente krantenbericht.

Entree- en parkeergelden. Vreemd, want was doorgestreept als kansloos. Het betekent niet automatisch subsidie verliezen. Niet duidelijk of het om bruto of netto bedragen gaat.

Uit de enquête resultaten kwamen inderdaad enkele opmerkingen die wezen in de richting van ‘entree-heffing ongewenst’. Maar zoals ook in het rapport gesteld: het waren slechts enkele reacties (maar klopt: áls er al reacties waren, dan hier). Op basis van de vervolggesprekken en onze eigen inschattingen, hebben we besloten deze optie toch mee te nemen. Er is dan wellicht wat weerstand, dat wil nog niet zeggen dat de mogelijkheid geen potentie heeft. Er is ook weerstand tegen samenwerken en bezuinigen, maar ook die route zal gelopen gaan worden. Misschien ook voor de discussie: dit is een interessante verdienmogelijkheid en de sector moet zelf maar met goede tegenargumenten komen waarom dit niet zinvol is. Het argument dat het niet per se tot subsidie-verlies hoeft te leiden (eens, maar dat moet per geval bekeken worden) versterkt het argument voor dit verdienmodel alleen maar. Tenslotte: onze totaalbedragen zijn uitdrukkelijk bedoeld als netto bedragen dus met correctie voor de kosten van tolpoortjes etc. We zullen de tekst daar nog eens op nalopen, maar de bedragen en rangorde zal er niet door veranderen.

Horeca levert niet alleen pacht of huur op maar ook kwaliteitsverbetering door investeringen. Pannenkoekenrestaurants zijn niet het goede voorbeeld.

Kamerbeek stelt hiermee dat horeca een goede bijdrage kan leveren aan natuur. Daar zijn we het mee eens. Kwantitatief schatten wij echter in dat horeca in totaliteit geen dominant(er) verdienmodel gaat/kan worden, zeker niet in tijden van economische crisis. Deze conclusie trekken we zelf uit diverse literatuur maar is ook in de gesprekken ruim gedeeld. Onze gesprekspartner uit de horeca was hier ook duidelijk over. Juist hier moet je ook rekening houden met de bijkomende kosten. Vergeet niet dat alle tijd die je steekt in het opzetten van horeca, ondanks enig rendement, ook rechtstreeks kan worden gestoken in onderhoud. Je kunt ook alles uitbesteden natuurlijk, maar dan (zo is de mening van ons en gesprekspartners) houd je niet veel meer over netto. Pannenkoekenrestaurants was hier in de tabel weer het voorbeeld, maar daar is het totaalbeeld niet op gebaseerd. Misschien moeten we die indruk dan ook in de tekst nuanceren. Los daarvan, het algehele beeld van de horeca in Nederland is dat deze momenteel zware tijden doormaakt, ook vanuit die beredenering lijkt de horeca geen sterk verdienmodel voor de groene sector.

Epiloog

Wat is nu echt kenmerkend voor de visie van Kamerbeek? Ik haal er de volgende quotes uit die mijn beeld bepalen:

– ‘dat er heel veel kan’ (en dat toont de mindmap juist niet)

– ‘er bestaan geen modellen die op bijna elk terrein toepasbaar zijn’

– ‘de creativiteit van ondernemers laat zich niet vangen in vakjes’

– ‘laat duizend bloemen bloeien’

– ‘het succes hangt af van wat een ondernemer met een model doet’

Het wereldbeeld van Kamerbeek laat zich nog verder (in relatie toe deze discussie) samenvatten tot: 1) ik geloof niet in universele modellen (macro-economische aanpak wreekt zich, alles is maatwerk) en 2) ondernemerschap is key, een goede ondernemer kan van elk terrein een succes maken. En dit zijn precies de punten waar onze vertrekpunten anders waren. Laat ik daarom nog even stilstaan bij deze punten, ‘alles is maatwerk’ en ‘ondernemerschap’.

Te beginnen bij ‘ondernemerschap’. Ik kan prima volgen wat Kamerbeek hiermee bedoelt. Je zou kunnen zeggen: een goede ondernemer maakt van elk terrein en elk model een succes. En: een slechte ondernemer bakt nog niks van het beste terrein en het meest kansrijke verdienmodel. Maar dat is natuurlijk een waarheid als een koe waar je verder weinig mee kunt. De vraag is: wat zijn macro de kansen bij een gegeven (gemiddelde) stand van ondernemerschap? Anders hebben we er meteen een uniek en best verdienend model bij: maak van iedere terreinbeheerder een goede ondernemer. Probleem opgelost (waarschijnlijk zonder bossen dan overigens).

Dan ‘universeel bestaat niet’. Hier ligt misschien wel de echte kern van het verschil in onze benaderingen. Hans is een journalist, hij praat met mensen en schrijft daar verhalen over. Dat is anekdotisch, inspirerend en micro. Hij verzamelt voorbeelden, hij wil zijn portfolio laten uitdijen ter lering en vermaak, vandaar ook het voorziene vervolg van ‘Waardevol groen’. Wij zoeken juist de andere kant op. Van de voorbeelden naar de grote lijn, op zoek naar patronen, van het anekdotische naar het abstracte, van micro naar macro, van specifiek naar generiek, van heel veel naar zo weinig mogelijk.

Mag ik nog een vergelijking maken als het gaat over ‘alles is maatwerk’? Als mijn zoon mij vraagt wat voor beroep hij moet kiezen, dan kan ik zeggen: kijk naar je talent, doe wat je leuk vindt en waar je goed in bent. En dat doe ik ook. En voor elke zoon of dochter zal zo een individueel en uniek advies ontstaan. Maar betekent dat dat ik geen uitspraak kan doen over ‘de beroepen waar over 5 jaar vraag naar zal zijn’? Of dat ik geen beeld kan schetsen met welk beroep je het meest zal gaan verdienen? Of met welk beroep de kans op een burn-out het grootste is? Alles is maatwerk, en toch ontstaat er uiteindelijk een patroon. Of het patroon dat wij vonden het juiste is? Dat weten we natuurlijk niet. Maar we doen ons best, zoals een vader dat voor zijn zoon zal doen.

Ik wil eindigen in harmonie. Beiden hebben we gedaan wat op dat moment met de ons ter beschikking staande middelen en onze vermogens ons het beste leek. Of zoals een van mijn favoriete uitspraken het stelt: ‘elk besluit was ooit iemands beste keuze’. Jij, Hans, met je voorbeelden, wij, Stijn en Rudy, met onze abstractie en onze infographics.  En is het niet mooi dat we allemaal op een andere manier naar de werkelijkheid kijken? En is het niet mooi dat we zo in gezamenlijkheid ieder een stukje van de totale puzzel kunnen leggen? De verhalen van Hans zijn mooi om te lezen en inspirerend. Ik hoop met mijn reactie te hebben betoogd dat er ook een plek is voor ons stukje van de puzzel.

Rudy van Stratum

PS Misschien ook een aardige vraag: zouden we met de kennis van nu dingen anders doen? Ik baal er nog steeds van dat de micro-invalshoek niet uit de verf is gekomen. Zoals ik al zei: ik denk dat het ‘in principe’ wel zou moeten kunnen. Ik hoop dat anderen hier nog eens aan toe zullen komen (maar ik ben toch arrogant genoeg om meteen maar mee te geven dat je dan echt meer tijd en budget nodig hebt). De macro-rangorde: dat zou ook beter kunnen in de zin van – meer respondenten met betere spreiding, – scherpere vragen, – meer interviews etc. Zo’n vervolg-onderzoek zou vanuit wetenschappelijke optiek zeker moeten, maar ik vermoed dat er niet zo veel nieuws of anders uit zal komen. Aardige titel: ‘Quick-scan nodigt uit tot vervolgonderzoek’. Tenslotte ben ik geheel met Hans eens dat de macro-cijfers over de geldstromen écht uitgezocht moeten worden. Het is te zot voor woorden dat een zo belangrijk onderwerp waar zoveel geld in omgaat niet eenduidiger op een rij vindbaar is. Wij werden er enigszins door verrast en liepen simpelweg tegen deze horde aan en moesten er toen maar een mouw aan passen. Maar ook hier blijf ik vinden dat de geldboom die we hebben getekend, ook na verder onderzoek, overeind zal blijven als het over de globale verhoudingen van de onderlinge stromen gaat. Maar eigenlijk ben ik weer de verkeerde vragen aan het stellen want Kamerbeek ziet de vraagstelling principieel niet zitten (‘1000 bloemen bloeien’, ‘generieke uitspraken kunnen niet’, ‘banken niet op verkeerde ideeën brengen’ etc) dus zal hij vervolgonderzoek ook niet zien zitten vermoed ik.