Categoriearchief: BP

deel van oude blogs die naar blokjesenpijltjes kunnen

Piketty for dummies (4)

In de eerste blog in deze serie is de eerste hoofdwet van Piketty behandeld en in de tweede blog de tweede hoofdwet. Vervolgens hebben we cijfermatig het model van Piketty met de twee hoofdwetten verkend in wat simulaties. We weten nu hoe op lange termijn de inkomensverdeling tot stand komt. De belangrijkste conclusie was dat historisch bezien de vergoeding op kapitaal zo rond de 5% zit en de groei van de economie zo rond de 1,5-2% zit. Door de beschreven wetmatigheden krijg je dan onvermijdelijk dat het arbeidsdeel van het totale inkomen wordt weggedrukt door het kapitaalsdeel.

Toch heeft het iets onbevredigends. De hele redenering draait ‘in the end’ om drie kernvariabelen:

  • De vergoeding op kapitaal (de rente r).
  • De spaarneiging (s).
  • De groei van de economie (g).

 

Hoe worden deze variabelen nu eigenlijk bepaald? Piketty gaat hier jammer genoeg slechts kort op in. Misschien aardig om er hier eens wat langer bij stil te staan.

De vergoeding op kapitaal

Piketty laat overtuigend zien dat de vergoeding op kapitaal over alle tijden en landen heen altijd zo rond de 5% ligt. Soms wat lager en soms wat hoger. En uiteraard voor de ene belegging met meer risico een hogere vergoeding dan voor de andere die een lager risico kent. Maar toch. Waarom toch die 5%?

Het makkelijkste en meest intuïtieve verhaal vind ik het dak boven je hoofd dat iedereen nodig heeft. Om een huis te bouwen inclusief grond ben je (minimaal) zo’n € 100.000 kwijt. Voor minder iets fatsoenlijks bouwen wordt echt lastig. Wat ben je kwijt per maand om zoiets te kunnen of mogen bewonen? Als je gaat huren dan betaal je hoe dan ook al snel € 400 per maand. Dat is ongeveer € 5.000 per jaar. Met andere woorden: als ik € 100.000 aan geld over heb en ik zou een huis bouwen als belegging (om een ander daarin te laten wonen) dan mag ik rekenen op een jaarlijkse vergoeding van € 5.000 oftewel een rendement van 5%. Misschien moet ik wat meer vragen voor eventueel onderhoud en verzekeringen of krijg ik effectief (na aftrek van onderhoudskosten) een iets lagere vergoeding.

Interessant is dan om na te denken over een technologische ontwikkeling die het mogelijk maakt om voor pak hem beet de helft van dit bedrag een goed huis te bouwen. Zou je dan een lagere structurele vergoeding op je kapitaal krijgen? Klinkt niet onlogisch: een hogere en efficiëntere techniek in het bouwen zorgt ervoor dat je meer kunt consumeren en minder hoeft te sparen. Dat is dus minder vraag naar kapitaal en zorgt voor een lagere rente. Maar je hebt altijd nog de grond onder je huis nodig en grond is eindig en dus schaars.

Een andere invalshoek is de schaarste van kapitaal. Een kwestie van vraag en aanbod. Het voorbeeld hierboven geeft al aan dat bij een efficiëntere bouwtechniek minder vraag naar vermogen (voor huizenbouw) ontstaat. Maar je hebt voor een investering ook energie nodig en grondstoffen. Energie wordt nog vooral gemaakt uit eindige voorraden olie en ook (andere) grondstoffen zijn vaak eindig. Hoe dan ook zal vermogen dat je stopt in eindige voorraden (die nog nodig blijven) een bepaald rendement afdwingen vanuit de schaarste. Populair gezegd: ik weet dat een eindige voorraad grondstof veel waard is (of wordt) en ben dus bereid een deel van die voorraad te kopen. Dan wil ik dus ook geld van een ander lenen en daar een vergoeding voor betalen omdat ik weet dat ik dat op termijn terug kan verdienen.

Duidelijk is dat in een wereld waarin nauwelijks schaarste bestaat (voldoende grondstoffen, land en energie) een lagere rente zal ontstaan. Een rente van 5% is een weerspiegeling van de eindigheid en de schaarste van grondstoffen, land en energie (en van onze levens, maar zie hieronder).

De spaarneiging

De keerzijde van een vergoeding op kapitaal is de neiging om te willen sparen. Waarom zouden we überhaupt sparen? Is het niet beter om gewoon alles wat je verdient lekker op te maken? Dat is wat veel dieren ook doen: ze gaan op jacht als ze honger hebben en eten dan wat ze nodig hebben. Wat hier speelt is dat mensen a) eindig leven, en b) vooruit (kunnen) kijken. Dat ze eindig leven betekent dat er altijd een kans is dat als ze een deel van hun inkomen nu niet opmaken, dat ze dan de volgende periode daar alsnog niet meer van kunnen genieten (omdat ze dood zijn of ziek of het wordt gestolen of het is bedorven). Dat ze vooruit kijken betekent dat ze ook nadenken over hun toekomst. Als ze nu een bepaald inkomen hebben en eventueel een deel opzij kunnen zetten, dan betekent dat dat ze voor morgen minder risico lopen. Ook als het inkomen dan tegenvalt, hebben ze toch nog wat te eten. Hoe dan ook sparen en dingen opzij zetten, heeft een nuttige functie.

De neiging tot sparen leidt dus tot opbouw van kapitaal. In combinatie met wat ik onder ‘de vergoeding van kapitaal’ heb gesteld ontstaat er nu een mogelijke uitruil tussen vragers en aanbieders van kapitaal. De een wil afzien van consumptie in het heden (sparen), de ander wil ‘vooruit consumeren’ (investeren, bijvoorbeeld door een huis neer te zetten). Op deze manier kan er onderling worden onderhandeld over een vergoeding die voor beiden interessant is.

Een ingewikkelde manier om te zeggen dat de rente tot stand komt in een markt van vraag en aanbod. Rente en kapitaal/vermogen maakt het mogelijk om in de tijd tot optimale keuzes te komen. Een hogere rente betekent dat meer mensen bereid zullen zijn hun consumptie uit te stellen en minder mensen bereid zullen zijn een huis te gaan bouwen.

Zo komen we tot de stelling dat de eindigheid van het leven van mensen (waar de tijdsvoorkeur uit ontstaat, de neiging consumptie in het heden hoger te waarderen dan een onzekere consumptie in de toekomst) enerzijds en de eindigheid van grondstoffen en energie anderzijds, in onderlinge wisselwerking de vergoeding op kapitaal bepaalt. Hoe hoger de neiging tot sparen (hoe lager de tijdsvoorkeur) hoe lager de rente zal zijn. Je zou ook kunnen stellen dat hoe ouder mensen worden (én daarbij ook gezond en werkzaam kunnen blijven) hoe lager de rente zal zijn.

Opmerkelijk is dat deze complexe wisselwerking op de kapitaalmarkt altijd tot vergoedingen van zo’n 5% heeft geleid (stelling Piketty).

De spaarneiging is ook al zo’n constante, zo rond de 10-12%. Hier speelt cultuur van een volk mogelijk wel een rol. Een spaarzaam land als Japan laat een hogere spaarneiging zien dan een land dat makkelijker consumeert en leent als de VS (14% resp 7-8%).

De groei van de economie

Dan houden we nog maar één variabele over. De groei van de economie. En als we de andere twee al weten dan volgt deze eigenlijk vanzelf (zie de twee hoofdwetten). Dus de eindigheid van onze levens en de schaarste aan eindige grondstoffen en energie zorgt ervoor dat we structureel niet veel harder kunnen groeien dan 1,5-2%.

Er zijn een paar zaken die dit kunnen veranderen. De vondst van nieuwe voorraden bijvoorbeeld. Als plots een nieuwe wereld aan grondstoffen wordt ontdekt dan maakt dat extra groei mogelijk (en zal de vergoeding op kapitaal ook navenant lager worden). Verder de uitvinding van nieuwe technieken die de efficiency van productie en consumptie verhogen. En als we als menssoort slimmer en handiger worden. Allemaal voorbeelden die erop neer komen dat onze ‘productiefunctie’ beter wordt en ons dus in staat stellen meer te doen met minder middelen.

Blijkbaar is het structureel nog niet mogelijk gebleken zoveel uitvindingen te doen (of te investeren in steeds meer opleiding) dat we meer dan een eeuw boven de 3-4% groei uit kunnen komen. Niet raar want door het groei op groei effect (exponentieel verloop) raakt de voorraad grondstoffen steeds sneller uitgeput en/of wordt land in combinatie met een steeds sneller zich verdubbelende bevolking steeds schaarser.

Terug naar ongelijkheid

We moeten vanuit dit nieuwe inzicht terug naar de basisvraag van Piketty. Als uit historische cijfers blijkt dat r > g, dan leidt dat automatisch tot een steeds hoger aandeel van rente-inkomsten en dus tot een verdrukking van inkomen uit arbeid. Maar dat moet dan toch een tegenbeweging uitlokken en tot een nieuw evenwicht leiden?

Stel dat de groei helemaal afvlakt en naar 0% gaat. Zeker niet ondenkbaar voor de komende 50 jaar. De spaarneiging is 10% en zal wellicht wat zakken naar 8% (maar helemaal 0% kan het nooit worden). Dan zal beta (vermogen/inkomen ratio) naar oneindig gaan. Oftewel het vermogen zal duizenden keren hoger zijn dan het totale (gelijkblijvende) inkomen. Maar wat gebeurt er met dat vermogen? Daar is toch helemaal geen vraag naar? Waar moet je immers in investeren of beleggen? De rente zal onherroepelijk dalen want er is een overschot aan kapitaal (en een tekort aan nieuwe aanwendingen voor dat kapitaal).

Dus hoe zit dat dan? Daarover meer in de volgende blog.

Rudy van Stratum

Piketty for dummies (3)

Even wat spelen met de cijfers. We gaan uit van de basissituatie zoals door Piketty genoemd. Ik verwijs naar de eerdere blogs over de 2 hoofdwetten.

Het nationale inkomen NI = 30.000 per jaar. De kapitaalgoederenvoorraad CAP = 180.000 per jaar. De vergoeding op kapitaal R=5%. Het groeipercentage van de economie G=2%. Het spaarpercentage S=12%. Beta geeft de kapitaal-inkomensverhouding weer, door Picketty in 2010 op ongeveer 6 ingeschat. Alfa geeft het aandeel van kapitaal in het nationaal inkomen weer en is gesteld op 30%.

Het basisscenario

ScreenShot203

Hier zie je mooi dat bij een groei van 2% van de economie alle verhoudingen netjes constant blijven.

Een groei van 0%

Benieuwd wat er gebeurt als de groei tot stilstand komt?

ScreenShot208

Nu zie je inderdaad dat het kapitaalsaandeel in de economie steeds groter wordt. Er blijft op termijn niets meer over voor beloning voor arbeid. Deze situatie is zelfs instabiel omdat er geen einde zit aan de hoogte van beta (delen door 0 mag niet!) en uiteindelijk zou LI zelfs negatief worden (wat in dit modelletje niet is toegestaan natuurlijk). Maar het idee is duidelijk: een zekere groei van de economie is nodig om tegenwicht te bieden aan de rentevergoedingen op kapitaal.

Een groei van 3%

Wat gebeurt er als we aannemen dat de economie wat sneller groeit (maar minder snel dan het rentepercentage)?

ScreenShot209

Nu kun je zien dat bij een groei van 3% het kapitaalsaandeel zal dalen. En dat ondanks dat de vergoeding op kapitaal R=5%. Volgens de formule/hoofdwet beta = s / g zal beta verder blijven dalen en langzaam naar de waarde van 4,00 gaan. De alfa gaat langzaam naar de waarde van 0,20. Je ziet hier het bewijs dat r > g geen probleem hoeft te zijn. Alleen mag het verschil tussen r en g niet te groot worden (in deze rekenvoorbeeldjes mag de groei van de economie dus niet meer dan 3%-punten onder de vergoeding op kapitaal liggen).

Rente omhoog

Met hoeveel moet de rente dan stijgen om bij een hogere groei van 3% toch weer een beta van 6 te krijgen? Nou, dat gaat dus niet lukken. Ik heb een hele hoge rente genomen van 10%. De beta zal op termijn toch weer gewoon naar de waarde 4 gaan (s/g namelijk, die is niet afhankelijk van r). Maar de alfa zal op termijn hoger eindigen (start ook flink hoger) op een waarde van 0,40 (namelijk r x beta).

ScreenShot206

Genoeg gepield met de formules en getallen van Picketty. Hopelijk is er zo wat gevoel ontstaan bij de logica achter de hoofdwetten. Probleem blijft dat dit rekenmodel een aantal zaken fixeert (exogeen veronderstelt) die eigenlijk zelf ook weer verklaard moeten worden. Als we dat ook gaan uitwerken (wat op zich prima kan) dan krijgen we een compleet economisch model en verlaten we de bespreking van Picketty. Toch ga ik in de volgende blog in woorden (zonder formules) wel in op de mogelijke verbanden.

Rudy van Stratum

 

Voor de liefhebbers hier het totale rekenmodelletje met de 2 hoofdwetten:

(1) NI = NI(-1) . (1+g)

(2) SAV = s. NI

(3) CAP = CAP(-1) + SAV

(4) CI = r . CAP

(5) LI = NI – CI

(6) alfa = CI / NI ( via substitutie van (4) en (7) in (6) volgt dat alfa = r . beta, hetgeen de 1e hoofdwet vormt)

(7) beta = CAP / NI

De tweede hoofdwet (beta = s / g) heb ik noch Picketty in zijn boek afgeleid (wat lastiger!) en geldt niet altijd op elk moment en wordt in de simulaties hierboven wel duidelijk zichtbaar op de langere termjin.

 

 

Piketty for dummies (2)

In de vorige blog over het recente werk van Piketty ging het over de eerste hoofdwet van kapitaal en groei. In deze blog staan we stil bij de tweede hoofdwet.

De tweede hoofdwet is minder makkelijk af te leiden en dat is iets wat Piketty zelf ook niet expliciet doet. Er zijn aanvullend relaties van belang:

CAP = CAP (-1) + SAV

Hier staat dat de nieuwe hoeveelheid kapitaal gelijk is aan de oude voorraad kapitaal plus wat je toevoegt door besparingen (op het totale inkomen).

NI = (1+g) . NI (-1)

Hier staat dat het totale verdiende inkomen (of de jaarlijkse output van de economie) jaarlijks groeit met een percentage g.

SAV = s. NI

Hier staat dat de besparingen SAV een deel s van het inkomen (NI) uitmaken. Voor het gemak van interpretatie mag je er hier vanuit gaan dat het alleen de eigenaren van vermogen zijn die sparen.

Nu kun je aantonen (ook door gebruik te maken van de eerste wet) dat op langere termijn (na een flink aantal jaren, denk aan 40-50 jaar) geldt dat het aandeel van het kapitaalinkomen op het totale inkomen (beta) wordt bepaald door:

beta = s / g

Dit is wat Piketty de tweede hoofdwet van kapitaal en groei noemt.

Merk op dat de eerste hoofdwet een definitie-kwestie is (die klopt altijd en overal) en dat deze tweede hoofdwet een benadering voor de langere termijn is (dus niet precies en niet op elk moment geldig). Ik zal in de volgende blog het complete modelletje met de 2 hoofdwetten nog eens uitschrijven en met cijfers in de tijd illustreren op de werking ervan.

Interpretatie

Naarmate je meer spaart (een hogere s) maak je minder op en voeg je meer toe aan je voorraad kapitaal. Dat betekent dat door de jaarlijkse vergoeding op kapitaal van r% het kapitaalsaandeel jaar op jaar groter wordt. Oftewel: het aandeel van de totale output dat naar arbeid gaat wordt steeds kleiner. Dat klinkt logisch: veel sparen betekent veel vermogen en dat betekent veel rente-inkomsten en dan hoef je minder te werken.

De andere is wat lastiger. Naarmate de economie minder hard groeit (een lagere g) zal het aandeel kapitaalinkomen (CI) op het totaal groter worden. Dit is eigenlijk een schuldenprobleem. Elk jaar dat er geen groei is zal de voorraad kapitaal toch groeien door de aanwezigheid van r% rendement en op die manier de rest van het inkomen verdringen. Alleen een flinke groei is in staat om de jaarlijkse rente-betalingen te compenseren en weer te werken aan het arbeidsdeel van het totale inkomen.

We kunnen nu ook globale getallen gaan invullen om het duidelijker te maken. Van de beta wisten we al dat die momenteel in het Westen rond de 6 zit. De spaarquote blijkt historisch ook redelijk constant te zijn. Voor een land als Japan is de spaarquote aan de hoge kant, zo rond de 14%. Voor een land als de VS zit de spaarquote aan de lage kant, zo rond de 7-8%. Maar gemiddeld ligt de spaarquote zo ergens tussen de 10 en 12%.

Als we in de formule van de tweede hoofdwet hierboven dan voor beta = 6 invullen en voor s = 12% dan volgt vanzelf het langere termijn groeipercentage van de economie. En die blijkt dan uit te komen op een jaarlijkse groei van 2%.

Dus: 6 = 0.12 / 0.02

En nu komen we zoetjesaan bij wat volgens mij een van de hoofdstellingen van Piketty is.

De groei op lange termijn is laag!

Uit de historisch analyse van Piketty blijkt dat de economie gemiddeld over heel veel jaren bekeken niet zo snel groeit of kan groeien. Over de periode 0-1700 is sprake van nagenoeg stilstand of nulgroei. Over de periode 1700-2012 is gemiddeld sprake van een groei van 1,6%. Eigenlijk is een lage groei de regel en een hogere groei uitzondering. Laag is dan 0-2% en hoog alles daarboven. Een uitzonderlijke periode van hogere groei is de periode na de tweede wereldoorlog tot ongeveer 1970.

Laten we dat eens bekijken in het licht van dé grote uitspraak van Piketty: r > g. Als de situatie aan de hand is dat r (de vergoeding op kapitaal) hoger is dan g (de groei van de economie) dan moeten in het kader van groeiende ongelijkheid de alarmbellen gaan rinkelen.

Als we op deze manier naar de laatste 300 jaar kijken dan krijg je globaal:

1700-1910: lage groei van de economie en dus een toename van de ongelijkheid (groot aandeel kapitaalinkomen in totale inkomen).

1910-1950: diverse correcties, 2 wereldoorlogen, financiële crisis 1929, veel vernietiging van kapitaal.

1950-1970: historisch uitzonderlijke periode van hoge economische groei door wederopbouw en inhaalslag, historisch bezien relatief grote gelijkheid.

1970-2010: weer terug naar lagere groei, oliecrisis, financiële crisis 2008, toename van ongelijkheid.

Waar het op neerkomt is dat de vergoeding op kapitaal historisch gezien zo rond de 5% ligt en dat de groei van de economie structureel niet hoger ligt dan 1,5-2%. Oftewel, nagenoeg altijd geldt dat r > g hetgeen betekent dat er altijd een druk is op de inkomensverdeling. De vergoeding op kapitaal heeft inherent de neiging het arbeidsinkomen te verdrukken.

Structureel een hoge groei is door de groei-op-groei situatie nagenoeg onmogelijk. We zouden in no-time op een vertienvoudiging van de huidige bevolking en/of output zitten. Het is daarom voor de 21e eeuw zeer onwaarschijnlijk van een hogere groei uit te gaan. Een hoge groei is dus tijdelijk en uitzonderlijk. Een situatie van oorlog zorgt daarna voor een groeispurt in verband met wederopbouw. Dat verklaart de hoge groei van ná 1945. Verder is een hoge groei zichtbaar in specifieke delen van de wereld die een inhaalslag maken zoals China ná 1990. Maar nogmaals: dat zijn de uitzonderingen die de regel van lage groei bevestigen (aldus Piketty).

Onbevredigend

De analyse tot dusver is onbevredigend omdat het hele verhaal draait om drie grootheden waarvan we eigenlijk niet goed weten hoe ze worden bepaald.

– De groei van de economie, waar hangt die vanaf, hoe komt die tot stand?

– De vergoeding op kapitaal (de rentevoet), waar is die van afhankelijk?

– De spaarquote, hoeveel willen of kunnen we sparen en waar wordt dat door bepaald?

En dan nog: deze variabelen zijn deels van elkaar afhankelijk. Dus hoe zit het nu? Daar gaan we in een latere aflevering op in.

In de eerstvolgende blog ga ik als tussenstap wat spelen met het modelletje van Picketty. Zo krijgen we wat gevoel voor de hoofdwetten en snappen we beter hoe het werkt.

Rudy van Stratum

Piketty for dummies (1)

Het kan bijna niet missen of je hebt de afgelopen maand de naam Piketty een keer gehoord. Thomas Piketty is Frans econoom en auteur van een volgens velen baanbrekend boek over economische ongelijkheid. Zie voor meer achtergronden het artikel van Rutger Bregman op De Correspondent. Het boek (dat eind van dit jaar in een Nederlandse vertaling verschijnt) is grofweg in te delen in een ‘feitelijk’ deel en in een ‘opiniërend’ deel. Dat tweede deel gaat over de mogelijke toekomsten van onze economieën in deze eeuw en bevat aanbevelingen over hoe we extreme ongelijkheid via (met name belastingmaatregelen) kunnen voorkomen.

Mijn idee was om het eerste deel van zijn boek in enkele blogs uiteen te zetten. Dat eerste deel vormt als het ware het skelet van de redenering van Piketty en is handig om (mocht je het boek zelf nog willen gaan lezen) het sneller te lezen of beter te begrijpen.

Deze eerste blog gaat over de zogenaamde eerste wet van kapitaal en groei.

De eerste wet van kapitaal en groei

Een economie maakt elk jaar een hoeveelheid producten en diensten. Dit wordt de output of productie van de economie genoemd. Ik ga even voorbij aan allerlei subtiliteiten en stel dat de totale productie van een economie gelijk is aan het totale inkomen (van de bevolking) in dat jaar. We noemen dat totale inkomen NI (van nationaal inkomen).

Dat NI (nationale inkomen) gaat uiteindelijk ófwel naar arbeid ófwel naar kapitaal. In het geval van arbeid gaat het over een vergoeding voor geleverd werk (lonen), in het geval van kapitaal gaat het over de vergoeding van geleverd (uitgeleend, ter beschikking gesteld) kapitaal (rente, dividend etc). Deze twee delen van het NI noemen we LI (labour income) en CI (capital income).

Dus met andere woorden:

NI = LI + CI

Een inkomen per jaar is een stroom. Het is een stroom geld of goederen die elk jaar weer aan een partij of partijen toevalt. Dus NI, LI en CI zijn stromen.

De hoeveelheid kapitaal in een economie is echter een voorraad. Stel je voor dat je een stroom geld ontvangt en niet alles daarvan opmaakt. Je houdt dan een deel van je stroom inkomen over en legt die apart, op een stapel. Het jaar erop heb je dan weer inkomen maar nu ook een stukje van het jaar ervoor. En zo verder. Dat wat je per saldo opzij hebt gezet (minus interingen en verliezen plus eventuele vergoedingen) noemen we de VOORRAAD kapitaal. Kapitaal is hier losjes gedefiniëerd als de totale voorraad geld, machines, aandelen, spaartegoeden, huizen etc.

Een belangrijke variabele bij Piketty is de verhouding tussen de totale kapitaalvoorraad en het jaarlijkse inkomen. De kapitaalvoorraad noem ik CAP en dan geldt:

beta = CAP / NI

Dus beta is de verhouding (in een land, op enig moment) tussen wat je in een jaar verdient ten opzicht van je totale voorraad kapitaal. Het is een indicatie van je rijkdom: het vertelt hoeveel jaar aan inkomen je op voorraad hebt (hoeveel jaar kun je doorgaan met opmaken als er niets meer bijkomt).

Wereldinkomen per hoofd

We kunnen er nu wat praktische getallen bij zetten om het beeld nog wat duidelijker te maken. In de wereld als geheel hebben we zo’n 7 miljard hoofden/mensen en de totale output van de wereld is ongeveer € 70.000 mrd Euro per jaar. Dat betekent dat op wereldniveau het jaarlijkse inkomen per hoofd van de bevolking ongeveer € 10.000 is. Oftewel ongeveer € 760 per maand.

Het gaat hier over een gemiddelde. Er zit een enorme variatie in dat inkomen per jaar per hoofd afhankelijk van waar je in de wereld kijkt. Als we naar het rijkere deel van de wereld kijken (VS, Europa, Japan) dan is dat inkomen per hoofd ongeveer € 30.000 per jaar. Of ongeveer € 2.500 per maand. De hoeveelheid kapitaal is in datzelfde rijkere deel van de wereld ongeveer € 180.000. Ook weer gemiddeld: sommige mensen hebben misschien € 1.000, anderen tientallen miljoenen of zelfs miljarden. Maar gemiddeld dus zo’n € 180.000.

Dat betekent dat de beta in dit geval gelijk is aan 600% (of 6 keer). We hebben dus ongeveer 6 jaarinkomens aan voorraad kapitaal.

CAP = beta . NI = 6 . NI

In de praktijk bestaat die voorraad kapitaal CAP voor ongeveer de helft uit gebouwen en land (zeg maar je huis) en voor de andere helft uit financiëel kapitaal (aandelen, obligaties, banksaldi).

Dus: CAP = € 180.000 = € 90.000 gebouwen + € 90.000 financiëel.

Verdeling naar arbeid en kapitaal

Nu pas kunnen we de stap maken naar het formuleren van de eerste hoofdwet. We zijn namelijk geïnteresseerd in hoe het totale inkomen wordt verdeeld tussen arbeid en kapitaal. We komen er later nog uitgebreider op terug waarom dat interessant is om te weten.

We hebben dan een nieuwe variabele nodig: het rendement op kapitaal, oftewel r. In een andere blog ga ik dieper in op hoe zo’n rendement op kapitaal tot stand komt. Voor nu ga ik uit van het empirische onderzoek van Piketty. Piketty heeft ongeveer 300 jaar data bestudeerd over grote delen van de wereld. Zijn conclusie is dat het rendement op kapitaal gemiddeld zo’n beetje 5% per jaar is. In sommige tijden is het wat hoger, in sommige tijden wat lager. Op enig moment, zelfs als het rendement 5% is, geldt ook nog dat voor risicovolle projecten het rendement wat hoger dan die 5% is (tot 10% of meer) en voor simpele spaarsaldi wat lager (enkele procenten).

Nu kunnen we het aandeel van het NI (totale inkomen) dat naar kapitaal gaat berekenen. We hadden als voorraad CAP € 180.000 en die voorraad krijgt een vergoeding van r = 5%. Dat betekent een stroom aan inkomsten CI van 5% . € 180.000 = € 9.000.

Omdat we al wisten wat het totale inkomen NI was, weten we nu hoe de verdeling van de stroom luidt:

NI = € 30.000 = € 9.000 (CI) + € 21.000 (LI)

Kapitaal krijgt in dit cijfervoorbeeld dus 30% van de totale output en arbeid krijgt de resterende 70% van de output voor het geleverde werk.

De verhouding tussen het kapitaalsdeel (CI) en het totale inkomen (NI) wordt door Piketty ‘alfa’ genoemd.

We kunnen nu de eerste hoofdwet van kapitaal en groei formuleren:

alfa = r . beta

In het cijfervoorbeeld van hierboven betekent dat: 30% = 5% . 6

Je zou kunnen zeggen dat je het aandeel van kapitaal uit de totale jaarlijkse poet kunt berekenen door het rendement (5%) op te blazen met de buffer factor 6.

Rendement

We weten zoals gezegd nog niet waarom r 5% is. Het blijkt uit de cijfers dat het historisch een robuust getal is. De beta is voor ons op dit moment ongeveer 6, maar deze is historisch en over landen minder robuust. Er zijn tijden waarin de beta maar zo’n 2-3 was. Dat betekent dat je maar een paar jaar vooruit kunt met je opgebouwd vermogen. Die situatie geldt/gold bijvoorbeeld voor de periode 1914-1945. In tijden van oorlog (waar veel kapitaal wordt vernietigd en waarbij het jaarlijkse inkomen ook laag is) herkennen we een lagere beta. Ook zien we voor sommige landen in sommige perioden een hogere beta van tegen de 10.

Om beter te snappen hoe de beta tot stand komt moeten we meer weten over de jaarlijkse groei van een economie en over de spaarneiging. Het is de tweede hoofdwet van kapitaal en groei die dieper op deze relatie ingaat. De eerste hoofdwet is vooral een exercitie in boekhouden (wat optellen, aftrekken, delen en vermenigvuldigen). De tweede hoofdwet gaat verder dan boekhouden. Zoetjes aan wordt het interessanter (hoop ik …).

Rudy van Stratum

 

 

 

 

 

Systeemdenken (4): De wielrennersparadox (vervolg)

Ik voel me als schaatser en fietser inderdaad onmiddellijk aangesproken door het artikel van Rudy. Eerder kwamen mijn nieuwe schaatsen al eens aan de orde in een artikel over rendement. Nu hebben we het dus over wielrennen. Allereerst, ik ben het grotendeels met Rudy eens, maar het ligt volgens mij wel wat ingewikkelder. Daarover later meer. Eerst een korte anekdote, dan de relatie met slimme financiering, tot slot mijn eigen visie op dit belangrijke onderwerp.

Ik deed een jaar of 5 geleden samen met een vriend mee aan een toertocht door Limburg en de Ardennen, 250 km heuvel op heuvel af. Vanaf  7.00 uur kon je vertrekken en dat deden we dus. Met nog ca. 40 km te gaan kwamen we bij een verzorgingspost een Italiaan tegen. Hij had een gruwelijk oude fiets, een fietsbroek waarvan het kruis op z’n knieën hing en een shirt dat vermoedelijk nog van z’n opa was geweest. Kortom het zag er niet uit. Maar, hij had minstens zo snel gefietst als wij, want eerder vertrekken dan 7.00 uur was niet mogelijk. Hij fietste een aantal kilometers achter ons aan tot hij op de steilste helling van de dag bij ons weg reed. Bij het eindpunt dronken we een biertje, liepen onze Italiaan tegen het lijf en maakten een praatje. Hij werkte sinds een jaar in Nederland, ergens in Limburg en kende daar vrijwel niemand. Wat doe je dan? In zijn geval een beetje fietsen. En als je vrijwel niemand kent heb je daar dus heel veel tijd voor. We hadden het ook over zijn sprint op die steile helling. “Ja, dat komt door mijn oude fiets, ik heb geen lichte versnelling, dus de enige manier om zo’n steile helling op te rijden is door het zo hard mogelijk te doen”. (Gelukkig zei hij daarna dat hij ons op de vlakke stukken bijna niet bij kon houden, dat was aardig van hem. ;-))

Waarmee de kern van Rudy’s verhaal wat mij betreft is bewezen, als je hard wil fietsen, aan je conditie wilt werken of af wil vallen, dan gaat het in eerste instantie niet om het materiaal maar om je inzet. Is dat dan alles en is materiaal dan onbelangrijk? Nee, zeker niet.

Fietsen, systeemdynamiek en slimme financiering
Als ik het artikel van Rudy lees komt bij mij de vraag op, wat had dit ook al weer met slimme financiering te maken? Heel veel wat mij betreft. Net als bij veel andere situaties hebben we hier te maken met één of meerdere doelen en is de vraag hoe je die doelen kunt bereiken. En uiteindelijk kom je dan volgens mij op de vraag hoe je daarbij het hoogste rendement haalt. Zet je doel aan de ene kant als positief (gezondheid, gewicht of wat dan ook), aan de andere kant staan de kosten, geld, blessures, ongelukken, de tijd die het je kost etc. Hoewel tijd, fietsen kan natuurlijk ook gewoon tijdverdrijf zijn, zie het verhaal over onze Italiaan. Meer tijd op de fiets draagt dan bij aan het verhogen van het rendement want het betekent minder verveling en verveling draagt negatief bij.

Waar Rudy volgens mij de mist in gaat is bij de formulering van het doel. Dat is namelijk voor de meeste fietsers niet alleen gezondheid, conditie en een goed gewicht, maar ook ontspanning, buiten zijn, gezelligheid, beetje competitie, je vrienden weer eens zien etc. De een leest een boek, de ander gaat vissen, weer andere gaan naar het café en sommige mensen gaan fietsen. Maar, al deze doelen maken het systeem wel complex. Vooral omdat deze doelen elkaar beïnvloeden. Is het gezellig met je vrienden, dan ga je vaker fietsen en gaat je conditie vooruit. Maar, een goede conditie is ook belangrijk om je vrienden bij te kunnen houden. Als je er steeds afgereden wordt (en er worden later nog grappen over gemaakt ook), dan is er op een gegeven moment weinig meer aan en ga je steeds minder fietsen. Overigens zijn er natuurlijk ook nog heel veel mensen die alleen fietsen.

Een tweede fout die Rudy maakt is te stellen dat het fietsen op een dure nieuwe fiets weinig inspanning vraagt. Zonder me hier verder in te verdiepen en dus gewoon op basis van eigen ervaring durf ik wel te stellen dat die fiets voor niet meer dan 10% de prestatie bepaalt, ik vermoed nog veel minder (dan laat ik het echte oude wrak met aanlopende banden even buiten beschouwing). De andere 90% moet dus gewoon uit het lichaam komen. Nou is 10% beste veel, het kan het verschil zijn tussen je vrienden wel of niet bij kunnen houden. Maar in mijn ogen veel belangrijker aan een fiets is dat die lekker zit, comfortabel, goede versnellingen etc. Een fiets waar je graag op zit en waarop je geen last krijgt van rug, achterwerk, knieën etc. hieronder mijn versie van deze dynamiek, ik heb wat toegevoegd (wijst zich zelf) en enkele woorden veranderd (met rood aangegeven).

wielrenparadox2-02

Maar stel nu dat je een nieuwe (dure) fiets hebt gekocht, dat was eigenlijk niet nodig want de oude zat ook goed, maar deze is lichter, aerodynamischer en dus sneller. En als je dan geïnvesteerd hebt in deze dure fiets, en je kan nu je vrienden wel bij houden en daardoor ga je nu vaker en verder fietsen en wordt je conditie steeds beter en je gewicht steeds lager, dan is het de investering wel waard geweest. Maar als je net begint met fietsen en nog een buikje weg moet werken, dan is de kans klein dat je opeens je vrienden bij kunt houden. Het is waarschijnlijk beter eerst een jaartje op die oude fiets te trainen, met een mooie beloning (nieuwe fiets) in het vooruitzicht als je je doel gehaald hebt (kilo’s eraf, 5000 km gefietst, noem maar op).

Blijft er één wezenlijk punt over uit het artikel van Rudy, de ratrace om steeds beter materiaal te kopen waarmee je mogelijk sneller zou kunnen gaan. Dient dat nog een doel? Misschien, ergens is er blijkbaar een enorme drijfveer om sneller te kunnen fietsen, vrouwen, aanzien? Er moet iets zijn, op de een of andere manier willen we ons immers steeds weer bewijzen (of in ieder geval is er een groep die dat wil). Helpt steeds beter materiaal daarbij? Niet echt denk ik. Tegenwoordig heb je fietsen die elektronisch schakelen. In plaats van die hendeltjes aan je stuur druk je op een knopje. Lijkt me reuze handig en comfortabel. Maar, was schakelen nou het grote probleem tijdens het fietsen? Nee natuurlijk niet. Het grote probleem is dat de helling te stijl is, de wind te hard waait, je vrienden te snel fietsen en jouw conditie niet goed genoeg is. Het idee alleen al dat iets nieuws zou kunnen leiden tot een hogere snelheid is voor sommige mensen echter alvoldoende om een nieuwe (dure) fiets te kopen. Het rendement van deze investering is twijfelachtig.

 

wielrenparadox2-03

Gelukkig zit goed presteren voor een groot deel tussen de oren, als die fiets uit zich zelf al niet sneller is, dan voelt het in ieder geval een stuk lekkerder en sneller.

Stijn van Liefland

Systeemdenken (3): de wielrenners paradox

In eerdere afleveringen over systeemdenken zijn de theezakjes (circulaire economie) en de NS-Prorail discussie (onbedoelde tegenstrevers) aan de orde gekomen. Ditmaal weer een simpel voorbeeld uit het dagelijkse leven, ‘meer theezakjes dan NS’ dus.

Fietsen

Fietsen is hier genomen als voorbeeld. Het had ook kunnen gaan over schaatsen of over hardlopen of over sport in het algemeen. Ik hoop/denk dat de paradox voor veel mensen herkenbaar is.

Het begint vaak bij mannen op een iets gevorderde leeftijd. Een combinatie van ‘een buikje willen wegwerken’ en ‘financieel wat te verhapstukken hebben’. Op een gegeven moment constateer je dan dat je een buikje begint te krijgen en dat je meer aan sport moet gaan doen. Bewegen is goed. Je besluit je oude fiets uit de garage af te stoffen en gaat lekker op de zondagmorgen een uurtje of wat trappen. In het begin valt het niet mee, maar zoetjesaan begin je er toch lol in te krijgen. Je ziet je ‘rondetijden’ verbeteren en praat er ook met collega’s en vrienden over. Voor je het weet rij je mee met een van die clubjes die je op zondagochtend altijd voorbij ziet rijden.

Soms kun je lekker meerijden met het clubje maar soms ook moet je gewoon toegeven dat je het tempo niet bij kan houden. Dat komt natuurlijk omdat die anderen uit dat clubje al langer fietsen. Of omdat ze jonger zijn. Of … omdat ze betere spullen hebben. Jij fietst nog op dat oude ding immers. Omdat je zo lekker bezig bent, vind je dat je jezelf mag belonen met een betere fiets. De techniek staat immers niet stil! Je gaat boekjes lezen, weet inmiddels steeds meer over aerodynamica en veiligheid en energiedrank. Na vele prijsvergelijkingen op internet en het bezoeken van wat specialistische beurzen in het land, stap je naar de dealer om die ene fiets met accessoires te bestellen.

Zo, dat gaat lekker zeg, met die nieuwe fiets. Je raakt nog enthousiaster, je telt weer helemaal mee. Totdat je er na een paar maanden achter komt dat ook met die nieuwe fiets het toch op fysieke inspanning aankomt. En soms kun je toch een zondag niet. Hoe houd ik het ritme vast?

De paradox

De paradox die ik zie is dat het je uiteindelijk om meer beweging en inspanning te doen is. Natuurlijk mag het ook leuk zijn en als je met vrienden fietst geeft dat een sociale verplichting. Allemaal prima. Het basisprincipe is en blijft dat je lichaam inspanning moet leveren. En een oude fiets betekent meer inspanning. Toch is er de escape van een steeds betere en lichtere fiets. Maar dat betekent juist minder inspanning! Bij topsporters die een wereldprestatie willen/moeten neerzetten gaat het om de laatste onsjes en dan is de nieuwste techniek van belang. Dan gaat het om die ene honderste van een seconde sneller. Maar bij onze buikjes-man is dat helemaal niet aan de orde. Soms zie ik zelfs dat de duurste spullen worden aangeschaft nog voordat er serieus is gefietst op wat voor fiets dan ook. Vaak eindigt zo’n actie al na een paar maanden en komt een prima fiets op marktplaats terecht.

In een plaatje

In een systeemplaatje krijg ik dan zoiets:

ScreenShot191

Ik wil aan beweging gaan doen en ga dus wielrennen. Dat is de cirkel van ‘veel inspanning’. Er is een escape door via betere en vooral duurdere spullen juist minder aan inspanning te gaan doen. Dat is de cirkel van ‘weinig inspanning’. Van Guus hebben we geleerd meer het onderscheid te maken in ‘bovenstroom’ en ‘onderstroom’. Het plaatje hierboven gaat over de bovenstroom, over wat je feitelijk kan zien of constateren. Hij gaat meer wielrennen, hij koopt een betere fiets etc.

Onderstroom

Hoe zou de bijbehorende onderstroom eruit zien? Wat denkt of gelooft deze man-met-buikje? Tja, ik heb daar geen onderzoek naar gedaan maar kan natuurlijk makkelijk de plaats van deze man innemen :-). Ik kom dan tot zoiets:

ScreenShot192

Ik wil van mijn buikje af. Dat valt nog niet mee. Het ligt niet aan mij maar aan de spullen. Betere spullen is inderdaad fijner maar nog steeds is het niet makkelijk (en het went zo snel). Tja, fietsen is ook maar een manier om af te vallen. Beter is het om gewoon minder te eten. (en nu komt weer een nieuwe dynamiek over eten en duurdere voeding en wel/geen uitzonderingen etc).

Het lijkt er op dat de oplossing centraal komt te staan. In ‘no-time’ gaat het niet meer om het echte probleem (afvallen, gezond leven) maar om de verleidelijke oplossing (je te verliezen in de techniek en het kopen van spullen). Hiermee is de dynamiek dat je het echte probleem uit de weg gaat en vlucht in oppervlakkige en niet-blijvende oplossingen.

Stijn voelt zich als fanatiek schaatser meteen aangesproken en is het hier niet mee eens. Ik zie uit naar zijn versie. Zelf ben ik een audio-nerd en daar ben ik slachtoffer van een soortgelijke valkuil. Ik ga in een andere blog in op deze zogenaamde ‘audio-paradox’.

Rudy van Stratum

Tegendenken (17): Slim afvallen volgens de beslisboom?

Een paar weken geleden las ik een boekbespreking van ‘Smart change’ van Art Markman. Het gaat over (vijf) manieren om je gedrag duurzaam te veranderen. In de kantlijn van het artikel stonden de 5 tips handzaam samengevat zodat ik het boek niet helemaal zelf hoef te lezen.

ScreenShot1545 tips

De tips zijn als volgt:

  1. Optimaliseer je doelen
  2. Tem het GO systeem
  3. Versterk het STOP systeem
  4. Pas je omgeving aan
  5. Schakel buren, collega’s en vrienden in.

 

Toen ik het las dacht ik meteen aan onze beslisboom. Die gaat toch ook ongeveer langs die lijnen? Hoe zit het nu precies?

Nog wat duiding. Optimaliseer je doelen (1). Dat is de beginvraag: je moet wel weten waar je naar toe wil.  Dat doel moet het liefst positief geformuleerd zijn en gesteld in duidelijke en heldere termen. Een doel geeft richting en energie. ‘Het brein heeft een doel nodig.’

Tem het GO systeem (2). Wordt jezelf bewust van de valkuilen, van de momenten dat je in de verleiding komt het ongewenste gedrag te vertonen.

Versterk het STOP systeem (3). Als je dan toch in het ongewenste gedrag vervalt, heb dan de juiste wapens bij de hand om het te stoppen. Maak jezelf weerbaar en sterk.

Pas je omgeving aan (4). De tips 1-3 betreffen je eigen interne huishouding, je eigen ‘state of mind’. Tips 4 en 5 gaan over de buitenkant, de omgeving. Pas je omgeving aan betekent dat je de verleiding vooral niet moet opzoeken. Van tip 4 kun je ook nog zeggen dat die ‘intern’ is: jij zorgt er immers voor dat je omgeving niet uitlokt tot ongewenst gedrag (door die omgeving niet op te zoeken, of door die omgeving anders in te richten).

En de laatste, schakel je vrienden in (5), betekent dat je anderen op de hoogte houdt van je doelen en je targets zodat je jezelf ook jegens hen verplicht voelt je eigen afspraken na te komen (en via hun hulp steeds een reminder krijgt of een zetje in de goede richting). Hier spreekt de neiging om vooral consistent over te willen komen.

Afvallen

Stel dat je jezelf te dik vindt en je wilt slanker en gezonder worden, hoe gaat dat dan?

ScreenShot155Stel jezelf een doel: ik wil afvallen, in zoveel dagen zoveel kilogram (1). Dat doe ik door minder te eten (2) en door meer te bewegen (3). Vervolgens zorg ik dat op de terugweg van werk naar huis op de fiets niet langs de frietkraam rijd. Ook zul je bij mij in huis geen zakken chips meer aantreffen (4). Aan al mijn vrienden vertel ik uitgebreid wat mijn doelen zijn, hoe belangrijk ik dit vind en wat het mij gaat opleveren. Mijn vrienden gaan mij aan mijn afspraak houden (5). En als dat allemaal nog niet helpt, dan ga ik naar de dokter voor een medische ingreep ..

Hierboven hebben we de ‘beslisboom afvallen’ getekend. Daarnaast hebben we een sterk vereenvoudigde versie van onze eigen beslisboom slimme financiering getekend. ‘Help ik ben te dik’ heeft griezelig veel overeenkomsten met ‘Help ik heb geen geld (meer)’.

Rudy van Stratum

Canvasmodel 4: pas op, gevaarlijk!

In de eerdere afleveringen over het Canvas-model is uitgelegd wat het model inhoudt en waar de verschillen en overeenkomsten zitten met onze eigen beslisboom. In deze aflevering wil ik stilstaan bij een gevaar dat schuilt in het te makkelijk toepassen van het Canvas-model.

De kracht van het Canvas-model

Als je een concreet plan hebt voor je onderneming, dan helpt het Canvas-model je op een gestructureerde en consistente manier bij de voorbereiding. De kernvraag daarbij is: kan het uit? Oftewel: is het rendement voldoende, wegen de inspanningen op tegen de verwachte opbrengsten. Het Canvas-model doet dat door te kijken naar de mogelijke eindafnemers van je inspanningen. Waar zitten jouw pinautomaten en wanneer wordt de portemonnee getrokken?

We hadden ook al geconstateerd dat er niet zoveel nieuws onder de zon is. Het gaat in essentie om het bepalen van de uitgaven en de inkomsten. Sterk is het format van een visueel invulsjabloon dat in een groepssessie lekker weg werkt.

De beperkingen van het Canvas-model

Maar er is ook een gevaar aan het toepassen van het Canvas-model. Een gevaar dat niet denkbeeldig is maar dat ik in de praktijk ook tegenkom. We moeten niet vergeten dat het Canvas-model werkt binnen een bepaalde traditie met daarbij horende uitgangspunten. In wezen zet je de pet op van de ondernemer en kijk je of je plan goed uitpakt. Het doel is het behalen van een voldoende hoog rendement. Het draait kortom om Euro’s en om harde rendementen. Klanten zijn je pinautomaten. Toegevoegde waarde betekent bijna definitorisch dat de klant wil betalen voor je product.

Je zou kunnen zeggen dat onze beslisboom een meer generieke vorm van het Canvas-model is. In onze beslisboom staat het doel niet vast. Het doel kan zijn om zoveel mogelijk Euro-rendement te halen maar hoeft dat niet per se te zijn. Onze beslisboom kijkt ook breder naar het begrip ‘waarde-creatie’. Dat kan meer zijn dan de hoogste ‘Netto Contante Waarde’ in Euro’s. Onze beslisboom kijkt ook naar mogelijke nadelige effecten op langere termijn en voor andere partijen. Waardecreatie in algemenere zin kijkt ook naar mogelijke waardevernietiging en/of afwenteling in de tijd en op andere partijen.

Tussenschema

Ik heb het in een simpel plaatje proberen samen te vatten.

ScreenShot100De groene bolletjes zijn de initiatieven die voldoen aan het Canvas-model. Je hebt een idee, wilt daar aan verdienen en de markt van kritische consumenten bepaalt of je succesvol bent. Zo ontstaan bakkers met hun broden, uitvinders met hun kleuren-tv’s en bankiers met hun leningen. Deze producten voldoen aan een behoefte en dus is sprake van waardecreatie. Ondernemers komen en ondernemers gaan, dat is de tucht van de markt.

Maar soms gebeurt het dat deze inspanningen van de groene bolletjes tot schade aan derden leidt. De Canvas-ondernemer houdt daar geen rekening mee, het is geen onderdeel van zijn doelstelling en/of planningshorizon. Dat zijn de rode bollen die we ook wel de externe effecten noemen. We hebben het dan over bijvoorbeeld uitstoot van vieze lucht (vervuiling) of over woekerpolissen.

Volgens Reich is dat ook prima. Ondernemers zijn er om geld te verdienen, de democratie is er om wetten te maken die de externe effecten mitigeren.

Dan hebben we nog de blauwe bollen. En dat is eigenlijk de reden waarom ik dit verhaal vertel. De Canvas-aanpak zal aantonen dat er goede ideeën zijn die de test niet zullen doorstaan. Het Euro-rendement voor de ondernemer is gewoonweg te laag, het kan niet uit. Het rendement laat te lang op zich wachten of het rendement is er wel maar niet in Euro’s of niet alleen voor deze specifieke ondernemer. Canvas stelt dan: onvoldoende waardecreatie, niet doen. Denk aan het bouwen van ‘frisse scholen’. Er is budget voor een gewone school maar voor de extra investeringen die leiden tot een ‘frisse school’ is het budget ontoereikend in de huidige context. Ondernemers die met het Canvasmodel aan de gang gaan zullen hier niet zo makkelijk een goede business-case vinden. Reich zegt wederom: niks aan de hand, daar zijn ondernemers ook niet voor, daar heb je belastingen voor.

Oplossing voor het beheer van bossen?

Voor het beheer van bossen zal ongeveer hetzelfde gelden. Dat is een blauwe bol: een ondernemer zal hier niet zo snel instappen, rendement onvoldoende.

Maar wat zie ik om me heen? Vroeger werd het bos beheerd vanuit subsidies of vanuit de inspanningen van de grondeigenaren. De subsidie komt goeddeels te vervallen, het beheer dreigt achteruit te kachelen. En nu is de oplossing: er is meer ondernemerschap nodig in het bosbeheer! Laten we het Canvas-model (nieuw, hot, leuk, creatief) er eens bijpakken en uit die oude subsidie-sleur gaan.

Klinkt leuk. En is ook prima om de creativiteit aan te wakkeren. Maar hoe zou een echte ondernemer met dit probleem omgaan?

Systeemdenken?

Een tijdje geleden heb ik voor mezelf een ‘dynamiekje’ getekend. We zijn nu ook met de serie ‘systeemdenken’ begonnen, en daar was het eigenlijk voor bedoeld. Het mag nog verder worden uitgewerkt maar voor hier kan ik wel met dit schetsje volstaan.

ScreenShot099We zien in het bovenste ‘loop’ dat het draait om het bos. Er is minder geld beschikbaar en dus hebben we meer geld en dus meer ondernemerschap nodig. Okay, dan nemen we het Canvas-model erbij en volgen de redenering van een echte ondernemer. De gebruikte kreten worden nader uitgelegd in ons dossier over ondernemerschap.

De ondernemer (in de onderste loop) heeft een prestatiemotivatie en/of een geldmotief (Porsche at the house) en is zeer adaptief en flexibel als het gaat om het inzetten van zijn beschikbare middelen (crazy quilt) om zijn doel te bereiken. Hij ziet overal kansen (bird in hand, en pilot in the plane). Goed is ontegenzeggelijk dat de ondernemer waakt voor het laten oplopen van nodeloze verliezen, hij kan zijn verlies nemen en zal tijdig bijsturen (als er geen klanten zijn of de markt tegenzit): affordable loss.

Maar, er dat is hier de kern, zijn opportunisme maakt het ook onzeker of het bos uiteindelijk wel in stand blijft. Want dat was niet zijn doel. Dat is het verschil tussen Philips en een bos-eigenaar. Philips maakt televisies zolang de klanten daar om vragen. Maar of Philips nu gloeilampen maakt of televisies of medische apparatuur: het zal ze worst zijn. Philips is een ‘money-machine’ en klanten zijn pinautomaten. Ik chargeer natuurlijk, maar de klant en zijn vraag komen eerst, de feitelijke producten zijn een afgeleide.

Bij een boseigenaar is het vaak andersom. Het product staat centraal. Het gaat om het behoud van het bos met al zijn ‘intrinsieke’ kwaliteiten. De klant komt daarbij eigenlijk op de tweede plaats. Misschien kan die klant wel net zo veel beleven aan het virtueel wandelen in een ‘bos-app’: klant blij maar geen bos meer.

Langst levende organisaties?

Als we niet oppassen zal het toepassen van het Canvas-model en ondernemers-denken leiden tot minder bos. Dat hoeft niet erg te zijn, maar weet waar je aan begint.

Ik wil deze anekdote nog meegeven. In een presentatie waar het Canvas-model als nieuwe norm voor boseigenaren werd gepromoot ging het zo (echt gebeurd!):

‘Heren boseigenaren, jullie hebben te weinig ondernemerschap, jullie voelen de tucht van de markt onvoldoende’. ‘Kijk nu eens naar buiten, de wereld staat niet stil. Grote bedrijven die aan de beurs zijn genoteerd hebben niet het eeuwige leven. Zij voelen de tucht van de markt en moeten steeds innoveren om te blijven bestaan’. ‘Kijk naar Google en Apple, zij verstoten oude reuzen als IBM en Nokia’. ‘Boseigenaren, wordt wakker, neem een voorbeeld aan deze marktleiders’. ‘Anders zal het slecht aflopen’.

Wat ik toen dacht (en ook zei trouwens): ‘Hier zitten allemaal mensen in de zaal die soms al 100 of 150 jaar een bos onderhouden’. ‘En nu is uw advies om innovatiever te worden en te leren van beursgenoteerde bedrijven’. ‘En die beursgenoteerde bedrijven hebben een gemiddelde levensduur van 10, 20 hooguit 25 jaar?’

Gelach uit de zaal, de spreker fronst zijn hoofd …

Rudy van Stratum

Circulaire economie (1) Het dilemma van de theezakjes (systeemdenken 1)

Bij eerdere banen, toen ik nog gewoon voor een baas werkte, hadden we een koffiehoek of een personeelsruimte. Daar kon je dan koffie of thee uit de automaat halen. Echte thee kwam er niet uit, wel heet water. Naast het apparaat stond een doos met theezakjes en daarnaast weer een schoteltje. Als je dus thee wilde nam je heet water, pakte je een theezakje en zo kreeg je thee.

Veel van mijn collega’s hadden het idee dat het zonde was om een theezakje dat ze maar één keer hadden gebruikt weg te gooien. En eerlijk gezegd, daar ben ik het mee eens. De oplossing was eenvoudig, het theezakje werd op het schoteltje gelegd, klaar voor de volgende collega om te gebruiken. Een mooi gebaar, kijk hier een theezakje, nauwelijks gebruikt, je kunt er nog wel een paar koppen thee mee maken. Maar, er deed zich op dat schoteltje een merkwaardig fenomeen voor. Over het algemeen lag er niet één theezakje, maar lagen er wel drie of vier (allemaal met dezelfde smaak, want we hadden maar één smaak). Nou zou het in zo’n geval kunnen dat iemand drie theezakjes heeft geprobeerd, tot de conclusie kwam dat daar alle thee wel zo’n beetje uit was, vervolgens een nieuwe heeft gepakt en te lui was om de oude weg te gooien. Zou kunnen, maar dan moet er daarvoor ook iemand zijn geweest die dat met het eerste zakje deed en ook nog iemand die dat deed toen er twee zakjes lagen. Het lijkt allemaal niet erg waarschijnlijk.

Ik denk dat het als volgt ging. Oh er liggen al zakjes, nou ik ga geen oud zakje gebruiken, vind ik niet lekker en je weet nooit wie er aan gezeten heeft, wat ie daarvoor gedaan heeft en hoe lang dat zakje er al ligt. … Wel zonde om dit nieuwe theezakje weg te gooien, het is pas één keer gebruikt, kan je nog minstens twee kopjes thee mee maken. Weet je wat, ik leg het op het schoteltje, het is pas een minuut oud en ik ben er netjes mee geweest. Heeft de volgende er ook wat aan.

Van theezakje naar gebouw
In het groot zie ik dit ook gebeuren. Als eerste voorbeeld een overleg waar ik onlangs aan deelnam. Het ging over een nieuw gebouw dat heel innovatief en duurzaam moest worden. Duurzaam qua energie, duurzame materialen (veel hout etc.) en de onderdelen en materialen moesten aan het eind van de levensloop weer geschikt zijn voor hergebruik. Op zich een nobel streven. Het tweede voorbeeld kwam ik tegen toen ik mij aan het inlezen was in de circulaire economie. Op de site van MVO-Nederland staan de 8 principes van de circulaire economie. Principe 2 luidt: “Producten worden zo ontworpen en gemaakt dat deze aan het eind van de gebruiksfase makkelijk demontabel zijn en materiaalstromen eenvoudig gescheiden kunnen worden”.

Beide voorbeelden doen mij denken aan de theezakjes. Wel van anderen vragen jouw rommel te gebruiken, maar zelf niet de rommel van een ander gebruiken. Waarom niet thee zetten van een oud zakje? Waarom niet een gebouw maken op basis van bouw en sloopafval? Waarom niet een product ontwikkelen op basis van een specifieke afvalstroom? Of in ieder geval, waarom zou je het niet proberen? Principe 2 van de circulaire economie zou natuurlijk moeten zijn “Producten worden zo ontworpen en gemaakt dat ze zoveel mogelijk gebruik maken van afval en zo min mogelijk van nieuwe grondstoffen.” Daar kan je dan nog aan toevoegen dat de producten op hun beurt weet geschikt moeten zijn voor hergebruik.

Dynamiek
Het leek me aardig om de dynamiek van het theezakje op kantoor in beeld te brengen. Niet alleen krijgen we zo grip op een belangrijk probleem ;-), het is ook een aardige oefening in het verbeelden van een dynamiek. Maar vergeet niet, het theezakje staat hier symbool voor een heel scala aan producten en materialen. Vul voor theezakje gerust hout of kunststof in en voor persoon bedrijf of organisatie, volgens mij blijft de dynamiek op hoofdlijnen gelijk.

theezakjes-06Centraal staat de cirkel “thee willen, maken en drinken”. Daaromheen een aantal gedachten / overwegingen van de persoon om wie het gaat. Eigenlijk heeft die persoon twee petten op. Een thee-pet, lekkere thee is hierbij de belangrijkste drijfveer. De andere pet is de milieu-pet waarin uiteraard een beter milieu de drijfveer is. De dynamiek laat zien dat het niet zo moeilijk is om voor jezelf tegemoet te komen aan beide drijfveren, je hebt er immers “alles” aan gedaan. Alleen leidt dit niet tot het gewenste effect. Wel lekkere thee, maar geen verbetering van het milieu. Of iets relevanter, wel een mooi gebouw, maar geen vermindering van de afvalstroom.

Gelukkig gaat het gedachten goed van een circulaire economie verder dan alleen het geschikt maken van producten en materialen voor hergebruik (het was op de site van MVO-Nederland immers slechts één van de 8 principes). Op 10 april leveren wij een bijdrage aan de vrijplaats circulaire economie, georganiseerd door het Rijksduurzaamheidsnetwerk. Tot die tijd verdiepen wij ons verder in de circulaire economie en doen we hier verslag van onze bevindingen. Daarnaast willen we ons de komende tijd verder verdiepen in systemen en dynamiek. Vaak is er verwondering waarom zaken lopen zoals ze lopen en vraag je je af waarom niemand met een oplossing komt. Het in beeld brengen van het systeem en de dynamiek kan helpen om een probleem te begrijpen en zo ook tot een oplossing te komen. Dit was daarmee ook aflevering 1 van een serie over systemen en dynamiek.

Stijn van Liefland

Canvasmodel 2: simpel hoor! (Tegendenken (12) :-) )

Begin 2013 had ik nog nooit van het Canvas-model gehoord. Dat zal ongetwijfeld aan mij liggen. Beetje murw geworden van al die modellen die jaar na jaar maar voorbij komen. En toen in de loop van 2013 hoorde ik er iemand over vertellen. En een paar weken later nog iemand. Nog weer een maand later hield iemand er een hele presentatie over. Van die kant kreeg ik een boekje toegestuurd over het Canvas-model. En mijn klomp brak toen ik hoorde dat een hele jaargang studenten in een hbo-opleiding verplicht met dit model moest werken.

… en nu komt ook Stijn er dus mee in zijn eerste blog over het Canvas-model.

Maar wat is het nu écht?

Om te beginnen een hoop Engelse kretologie en stoere managementtaal. Ik ben daar niet zo van. Maar daar moet je natuurlijk ook doorheen willen kijken. Een sterk visuele aanpak, dat is wat me vooral aanspreekt. En een ‘canvas’ of schildersdoek om in een open discussie vooraf met elkaar in te vullen waar het bij deze vorm van ondernemerschap om gaat. Een gestructureerde en laagdrempelige manier om te beoordelen of een ondernemers-initiatief echt voldoende hout snijdt.

Er valt nog heel veel meer over te zeggen. Dat gaan we ook nog wel doen. Maar laat ik nu eerst eens de 9 vlakken van het canvas-model ’terug vertalen’ naar wat we allemaal al lang weten:

ScreenShot088It’s the economy stupid!

Het plaatje zou voor zichzelf moeten spreken. De zogenaamde ‘value proposition’ is het hart van de aanpak. Het gaat erom dat je waarde toevoegt (aan wat? voor wie? Allemaal dingen om later nog eens op te pakken). Tja, om waarde te creëeren moet je natuurlijk wel wat doen. Links staan alle zaken die je nodig hebt om iets te maken en die leiden vervolgens tot uitgaven. Maar de spullen die je maakt moeten ook nog ‘aan de man worden gebracht’ en dat is rechts in het plaatje te zien. Dat aan de man brengen leidt tot inkomsten.

Het saldo van uitgaven en inkomsten onderaan in de breedte van het plaatje bepaalt het rendement van je operatie. Rendement is meestal een korte termijn begrip. Daarom heb ik nog een rode bol ingetekend die iets met de horizon van je plan doet en rekent over een iets langere termijn. Zo ga je van korte termijn rendement naar langere termijn waardecreatie.

Rudy van Stratum