Categoriearchief: BP

deel van oude blogs die naar blokjesenpijltjes kunnen

Eén procent rente voor de schildpad?

Bas Haring bespreekt vandaag in de VK een interessante economische vraag: waarom is de rente altijd ergens zo tussen de 1 en de 10 procent? En zelden tot nooit negatief of 100%?

De redenering

Laten we de redenering van Haring eens volgen. Dat er rente wordt gevraagd vindt Haring wel logisch. Immers: als ik mijn auto aan iemand anders uitleen, dan wil ik hem een keer terug krijgen. Dus geld wil je ook terug krijgen als je dat aan iemand anders uitleent. En bij die auto: ik wil niet alleen de auto terug maar ook een vergoeding voor ‘verlies’ of compensatie voor iets wat ik heb gemist door het uitlenen. Ik heb bijvoorbeeld met de trein moeten reizen en dat was duurder of onplezieriger en dus wil ik dat vergoed hebben.

Mijn reflectie. Mee eens. Rente is een vergoeding voor gederfde inkomsten en mogelijk risico van wanbetalen. Stel dat gedurende een jaar x% van alle leningen niet terug zou worden betaald dan zou je met alle uitleners bij elkaar een verzekering kunnen opzetten. Uit de pot zou dan compensatie voor wanbetalingen kunnen worden betaald. De premie die iedereen zou moeten betalen zou dan ongeveer x% (+ een beetje voor de administratie) moeten zijn. Zie hier de eerste verklaring van de hoogte van de rente: ongeveer de kans op wanbetaling.

Verder is er sprake van een zogenaamde tijdsvoorkeur. Wat dat precies is, is ook onder economen niet helemaal duidelijk. Voor een econoom is het een ‘datum’, een gegeven. Het heeft iets met de psychologie te maken en in onze serie denkfouten hebben we er een item aan gewijd. Het heeft te maken met onze beperkte levensduur, met hoe we evolutionair hebben overleefd en wat niet al. Waar het op neerkomt is dat we een sterke neiging hebben voor consumptie en genot in het heden (‘je kunt het maar gehad hebben’) en dus zul je (bovenmatig blijkt uit onderzoek) verleid moeten worden afstand te doen voor je consumptie nu in ruil voor (iets meer) consumptie later.

Overigens, iets wat zelden wordt genoemd (zie mijn bespreking van het boek van Greco elders op deze site): rente kan wel degelijk negatief zijn. Als banken elk moment failliet kunnen gaan en je dus gedwongen wordt het ‘baar’ in huis te houden dan ben je bereid te betalen voor het veilig in een kluis opbergen van je geld. Je betaalt dan ‘stallingskosten’ om diefstal of inbraak te voorkomen en jezelf een veilig gevoel te geven.

Rente kan ook extreem hoog zijn (100% of meer) als er sprake is van een bijzonder nijpende situatie. Het is dan een situatie van vraag en aanbod (dat is het overigens bijna altijd): als ik heel erg smacht naar het bezitten van een uniek product dat nu eenmalig langs komt en ik heb geen geld maar ik weet dat ik over een maand dat geld wel heb of krijg, dan ben ik bereid nu een dure lening aan te gaan om in het nu alsnog dat unieke product te bemachtigen.

Maar waarom 5%?

Maar inderdaad: de rente is bijna nooit negatief of meer dan 100%. Altijd ergens tussen de 1 en de 10% inderdaad. De redenering van Haring is dat dat te maken heeft met onze levensduur. Wat zou ik willen betalen voor een bosje met hout? Welnu, voor mijn 30e kan ik een bosje niet betalen en na mijn 60e heb ik geen zin meer om te hakken. Dus ik kan 30 jaar van een bosje profiteren en heb dus 30 jaar een houtkap-oogst. Dus ik wil betalen maximaal 30 keer de houtoogst. En op jaarbasis betekent dat 1/30 van het totaal en dat is 3,3 procent en dat is ongeveer 5%.

Het is volgens mij een kringredenering maar ik ben het op hoofdlijnen wel met Haring eens. Hoe zou een econoom het benaderen? Wat is een object je waard (in financiële zin)? De oogst is het dividend waar je als eigenaar recht op hebt. Het object is dan waard: de voor de tijd gecorrigeerde stroom dividenden of oogsten. Het rendement of de rente is dan het dividend gedeeld door de waarde van het object. Zie je dat het een kringredenering is? De truc zit hem in het zinnetje: voor de tijd gecorrigeerd. Wat je daar invult of aanneemt is meteen je rendement of je rente. Het is niet de uitkomst van de som maar de aanname vooraf.

Eindige levensduur?

Een eindige levensduur maakt in essentie niet zoveel uit. Je kunt tegen het einde van je leven het bosje weer doorverkopen. De prijs van het bosje zal alsdan weer zijn: het aantal oogsten wat het bosje nog op zal leveren voor de koper van dat moment (gecorrigeerd voor de tijd). Wat van belang is: de oogstcapaciteit van het bosje. Vaak is de aanname in rekensommetjes dat een object een eeuwigdurende constante vrucht of oogst aflevert. Oftewel: de oogst zal telkenjare tot in het oneindige een gelijke houtkap zijn.

In dat geval kun je aantonen dat de waarde van het bos gelijk is aan de oogst gedeeld door de rentevoet. Dus als de oogst 100 Euro is per jaar en de rentevoet (tijdsvoorkeur + risico) gelijk aan 5% dan is de waarde van het bos gelijk aan 100 / 0.05 oftewel € 2.000. Hier is dus sprake van een vermenigvuldig factor van 20 en die is dus gelijk aan 1 gedeeld door de rentevoet. Deze waarde is gelijk en vast zowel voor iemand die 50 jaar leeft als voor iemand die 500 jaar leeft. Je kunt immers op elk gewenst moment het bosje weer doorverkopen aan de volgende generatie. Dit is hoe een aandeel werkt bij een bedrijf dat elk jaar dividend uitkeert. Het bedrijf blijft eeuwigdurend bestaan en de aandeelhouder heeft een eindige levensduur.

Dus waarom is de rente dan 5%? Eerlijk gezegd weet ik het antwoord daarmee nog steeds niet. Het is duidelijk dat zonder tijdsvoorkeur, zonder inflatie en zonder enig risico de rente 0% zou kunnen of moeten zijn. Maar dat is niet het geval in de praktijk. Een deel van die 5% is te herleiden tot onzekerheid over het vroegtijdig overlijden van bedrijven of bossen (en niet van personen dus). En het resterende deel van die 5% is te herleiden tot de goeddeels onbegrepen component van de tijdsvoorkeur. En dat laatste zou wel eens heel goed met de perceptie van een eindige leeftijd van de actor/persoon te maken kunnen hebben!

Rudy van Stratum

Niet alles is te koop, literatuur

Rudy heeft eerder het boek over rechtvaardigheid van Michael Sandel besproken. Recenter is het boek, “niet alles is te koop”. Sandel verkent hier de marktwerking met als centrale vragen is het goed om zo veel zaken aan de markt over te laten? en, is het goed om alles steeds in geld uit te drukken? Om maar meteen met de deur in huis te vallen, de titel luidt “Niet alles is te koop”. Sandel laat vooral  duidelijk zien dat vrijwel alles juist wel te koop is. Maar daarover later meer.

Allereerst een korte reflectie op de aard van dit boek en ook het boek rechtvaardigheid dat Rudy eerder besprak. Voor beide boeken geldt dat ze vooral beschrijven hoe je kunt denken over rechtvaardigheid dan wel marktdenken. Rudy merkte het al op praktische handvatten ontbreken volledig. Praktische handvatten is nou juist waar wij steeds naar zoeken. Bij beide boeken was ik er daarom zo’n 50 pagina’s voor het einde wel klaar mee. Je voelt, dit gaat nog even zo door en die afsluitende conclusie, die samenvatting, dat alles verbindende, die praktische insteek, die gaat er niet meer komen. Want, het laatste hoofdstuk is een zelfde soort hoofdstuk als het eerste, het begint weer van alles te beschrijven maar nu vanuit een net iets andere invalshoek. Tja, echt een gemis. Desondanks ben ik niet zo negatief. Voor mij is de functie van zo’n boek dat het mij aan het denken zet en dat heeft het zeker gedaan. Als dan in de loop van de tijd 5 of 10 procent van die gedachten weer ergens landen dan vind ik dat niet verkeerd.

De inhoud

Het boek bestaat uit 5 hoofdstukken, elk hoofdstuk kent een eigen thematiek. In het eerste hoofdstuk is dat bijvoorbeeld ‘voor je beurt gaan’. Het laat met een aantal mooie voorbeelden zien dat juist wel alles te koop is. Wil je niet in de rij staan, dan betaal je iemand anders om dat te doen. Heb je geen tijd om gratis kaartjes voor een voorstelling te halen (en weer in de rij te staan), op de zwarte markt kan je ze gewoon kopen. Wil je niet wachten voor een dokter en snel geholpen worden, zoek een dokter die je tegen extra betaling een voorkeursbehandeling geeft. Vervolgens komen diverse ethische dilemma’s aan de orde. Waarbij we er natuurlijk op gewezen worden dat marktwerking (want daar hebben we het feitelijk over) bepaalde mensen bevoordeeld (die met veel geld). De vraag is natuurlijk of je dat wilt als het bijvoorbeeld over de gezondheidszorg gaat?

Sandel gebruik bij alle dilemma’s steeds dezelfde vragen:

Als eerste de vraag hoe het zit met bereidheid en mogelijkheid. Veel gehoord bij marktdenken is de opmerking, als mensen bereid zijn het te betalen, dan is dat toch geen probleem. Daar tegenover staat dat veel mensen niet de mogelijkheid hebben om een bepaalde dienst te betalen. Hier legt Sandel het verband met het utilitarisme (maximaliseren van het geluk). Als mensen ergens veel voor over hebben (bereidheid) wil dat nog niet zeggen dat deze mensen daar ook het gelukkigst van worden. Marktwerking leidt zo niet tot optimalisatie van het totale geluk.

De tweede vraag is of een marktmechanisme (een bepaalde prikkel) werkt en of deze moreel verantwoord is. We kennen natuurlijk talloze voorbeelden van prikkels die een averechts effect hebben. Een mooi voorbeeld komt uit Zwitserland. Na jaren van onderzoek was in Zwitserland een klein bergdorpje aangewezen als potentiële opslagplaats voor kernafval. Kort voordat er een referendum werd gehouden deden economen onderzoek, zouden de mensen voor of tegen de opslag stemmen. Vrijwel iedereen had de opslag liever niet, maar 51% zou het toch accepteren. Vervolgens werd de vraag gesteld hoe mensen zouden stemmen als er een financiële vergoeding zou komen. Verrassend daalde de acceptatie van 51% naar 25%. Hier spelen morele overwegingen een rol. Acceptatie van de opslag zagen mensen als een ongemak, maar dat hoort er nou eenmaal bij als je je maatschappelijke verantwoordelijkheid neemt (wat ze dus deden). Door extra geld te bieden kregen mensen het gevoel omgekocht te worden. De markt werd een bedreiging voor maatschappelijke verantwoordelijkheid. Sandel werkt dit verder uit door in te gaan op de vraag of altruïsme een schaars goed is, dat je moet bewaren voor momenten dat de markt er niet uit komt,  of dat het juist getraind moet worden en dat je er juist steeds meer van kunt krijgen. Het is ook een voorbeeld dat laat zien dat inderdaad niet alles zomaar te koop is.

Een derde vraag die hij stelt is of mensen werkelijk vrij zijn om te kiezen. Want, soms heb je geen keus en ben je dus overgeleverd aan de grillen van de markt.

Ik vind dat interessante vragen, vooral omdat ze een andere kijk geven op rendement, op deze site een centraal begrip. Door alles in geld en rendement uit te drukken ontstaat er soort weerzin. Wat je normaal gesproken gewoon doet, ga je nu afwegen, beoordelen of je gaat er opeens heel anders tegenaan kijken. We komen daar later nog wel eens op terug als we het begrip rendement verder gaan uitwerken.

Is alles te koop?

Sandel geeft heel veel voorbeelden in zijn boek waarin hij laat zien dat vrijwel alles te koop is. Om een extreem voorbeeld te noemen, in India kan je als buitenlander een baby kopen nadat je zelf een eicel of zaadcel hebt gedoneerd. En, waarschijnlijk lukt dat ook wel zonder ei- of zaadcel. Punt is natuurlijk dat dit soort zaken niet voor iedereen te koop zijn. Het voorbeeld uit Zwitserland suggereert dat instemming niet te koop is, maar ik ben er van overtuigd dat als je maar lang genoeg doorgaat dat wel degelijk te koop is. Wat als er zoveel geld komt om het hele dorp te verplaatsen naar een nog mooiere, prettiger plek en het hele dorp nooit meer hoeft te werken? Uiteindelijk zal de meerderheid instemmen. Wat is er dan niet te koop? Sandel geeft eer als voorbeeld van iets dat echt niet te koop is, je kunt een tweedehands Oscar kopen, maar niemand zal jou eren als groot acteur of regisseur. Toch denk ik dat ook eer te koop is, kijk naar rijke Russen die een voetbalteam kopen dat na een flinke investering kampioen wordt, zo’n man wordt vereerd. Blijft over vriendschap, je kunt een kring mensen om je heen verzamelen, je kunt daar goede relaties mee opbouwen en dat is zelfs voor geld te koop. Maar is er dan sprake van vriendschap, kun je vrienden kopen? Hier heeft Sandel wel een punt, echte vriendschap is niet te koop, dat vraagt meer dan alleen maar geld en marktwerking. En zo zijn er mogelijk nog wel een paar zaken die echt niet te koop zijn.

Alles in geld uitdrukken?

Dit boek roept de vraag op of je alles wel in geld moet uitdrukken. De vraag wordt niet expliciet gesteld, maar tussen de regels door wordt het antwoord van Sandel wel duidelijk, dat moet je niet doen. Het voorbeeld van de opslag van kernafval in Zwitserland laat zien wat er kan gebeuren wanneer de focus teveel op financiële waarden ligt.

Toch ligt hier een enorme tegenstrijdigheid. We willen zaken niet in geld uitdrukken en dus doen we het ook niet. Tegelijkertijd maken we wel allerlei keuzes waarbij we impliciet wel allerlei zaken waarderen die we niet in geld uit willen drukken. Deze week was er een kleine discussie over de veiligheid van vangrails in de middenberm van snelwegen. Zie hier het antwoord van de minister op één van de Kamervragen die gesteld werd:

“… Uit het oogpunt van acceptabele risico’s en kosteneffectiviteit vind ik het verantwoord om voor autosnelwegen te volstaan met de in Nederland nu geldende prestatieklasse voor vangrails.”

Hier zit dus een berekening (impliciet of expliciet) achter die iets zegt over wat een ongeval, gewonde of zelfs dode (of beter gezegd levende) waard is. Als je dit soort zaken transparant wilt maken dan is het geluid al snel “je moet niet altijd alles in geld uit willen drukken”. Dit speelt ook bij de discussie over de financiering van groen en landschap. Er gaat heel veel geld in om en er worden keuzes gemaakt, aan het een geven we meer geld uit dan aan het ander. Blijkbar is dat waardevoller. Ga je het expliciet maken (of stel je dat alleen maar voor) dan stuit je op weerstand. Maar als je het niet transparant maakt heb je geen idee of een uitgave op een efficiënte manier het doel dichterbij brengt. Bijkomende dilemma is dat transparant maken weer een eigen dynamiek oproept (‘als het alleen maar over geld gaat dan heb ik geen zin meer om als vrijwilliger aan de slag te gaan’). Tja dit vraagt wat mij betreft om meer verdieping. We gaan in ieder geval een poging wagen in onze serie over de waarde van een mensenleven. Suggesties welkom.

Stijn van Liefland

 

 

Je geld of je leven

Via de nieuwsbrief van uitgeverij genoeg (http://www.genoeg.nl) werd ik gewezen op de gratis beschikbaarheid van het boek ‘Je geld of je leven’ van ‘vrekken-echtpaar’ Hanneke van Veen en Rob van Eeden. Zo’n kans laat ik niet voorbijgaan. Een al wat ouder boek (laatste druk 2002, en toen was het al een aantal jaartjes oud) en zelf ook grotendeels weer geïnspireerd door de Amerikaanse tegenvoeter ‘Your money or your life’ van Vicky Robin en Joe Dominguez. Ik had natuurlijk wel van het boek gehoord maar het zelf nog nooit echt gelezen.

Ondanks de ouderdom zeer het lezen waard, dus ga zeker een exemplaar downloaden en lezen.

Aanleiding

De auteurs stellen zelf al dat ze veel reacties op hun boek kregen in de sfeer van ‘gut, wat vervelend, al dat gekrabbel en ge-armoe’. Maar dan mis je het punt. Het boek gaat niet om zuinigheid sec (in de zin van: afzien en ontberen, voor zo weinig mogelijk rond zien te komen) maar gaat over een maximale kwaliteit van leven en in besef genieten van de rijkdom die grotendeels al binnen handbereik ligt. De auteurs kwamen zelf op deze route toen ze na jaren van uit-eten gaan en half-verslaafd spulletjes kopen, niet meer écht genoten van de dingen die ze deden.

En dan is de overgang naar het echte doel van het boek snel gemaakt. Als je bewust met je geld omgaat en optimaal geniet in termen van kosten-opbrengsten dan komt er een punt dat je financieel onafhankelijk kunt zijn. Ook hier is financieel onafhankelijk weer niet iets van ‘loaded, en doen wat je maar aan gekkigheid kan verzinnen’ maar: vrij om zelf te kunnen kiezen wat je gaat doen, niet meer hoeven te werken als je dat niet leuk vindt. Eigenlijk gaat het boek om: kwaliteit van leven voor elkaar krijgen met optimale inzet van bestaande middelen en capaciteiten. Meer dan ik gedacht had gaat het over dezelfde onderwerpen als slimme financiering (of draai ik het altijd zo dat wat ik hier schrijf zoiets wórdt?).

Het boek loopt een stappenplan door, evenals het Amerikaanse boek dat doet (heb ik zelf overigens niet gelezen). Ik ga die stappen niet slaafs volgen en zal om de verwarring te vergroten mijn eigen nummering van stappen aanbrengen. Dus mijn versie van een versie die zelf ook weer ergens van is afgeleid. Maar zo kan ik wel de accenten benoemen die er voor mij uitspringen.

Stap 1: bereken hoeveel je in je hele leven bij elkaar hebt verdiend

ScreenShot206Je gaat eens lekker op je gemak alle geldbedragen die je ooit in je leven hebt verdiend bij elkaar op ‘lopen te tellen’. Alles telt mee, te beginnen bij je zakgeld en je vakantiebaantjes. Doel van deze stap is dat je je bewust wordt van het vaak grote bedrag waar het om gaat. En als je inderdaad tot een fors bedrag komt dan komt meestal ook de vraag: en wat heb ik er in hemelsnaam mee gedaan, waar is het gebleven? Verder is het een ritueel waarmee je een streep zet onder je verleden van onbewuste en niet-optimaal genietende koop-verslaafde.

Stap 2: bepaal je huidige financiële waarde

Nu gaan we echt beginnen. We meten hier de nul-situatie. Wat is de waarde van al je bezittingen minus al je schulden. Je maakt een balansje op zoals alle bedrijven dat ook doen. Ik zie dat ik het weer eens andersom heb getekend dan gebruikelijk, maar zo blijf je tenminste opletten.

Je telt alle bedragen van je bankrekeningen op, van je spaarrekeningen, van je beleggingen etc. Daar tel je alle marktwaarden van je overige fysieke bezittingen bij op: auto, huis, inboedel en zo verder. Dat is de waarde van je bezittingen. Maar die kunnen in je bezit zijn gekomen niet alleen door eigen inkomsten maar ook door schulden aan te gaan. De schulden zet je dus ook op een rijtje en het saldo van beide bedragen is je netto bezit oftewel je startkapitaal.

ScreenShot207Je kunt hier best wat op afdingen. Niet alle bedragen zijn even liquide en/of hebben een zelfde ‘conversiewaarde’ nu of in de toekomst. Het boek geeft als voorbeeld nog dat je al je lp’s moet tellen en die op je balans moet zetten. Maar het idee is duidelijk: je hebt een startvermogen dat voor je kan gaan werken, een belangrijk stap op weg naar die vrijheid.

Stap 3: bereken je échte uurtarief

Dit lijkt heel veel wat wij doen bij het berekenen van het rendement van bijvoorbeeld een groen-investering. In deze stap ga je inzicht krijgen in wat je per uur nu eigenlijk écht verdient. En dat is iets genuanceerder dan je maandinkomen delen door het aantal uren dat op je arbeidscontract staat vermeld. Dat is in de meeste gevallen veel te hoog. Je moet echt alle opbrengsten en kosten in beeld brengen die je in staat stellen dat werk te kunnen doen om dat inkomen te kunnen genereren. Dus je telt ook de uren die je nodig hebt om te reizen naar je werk, de uren die je min of meer verplicht bent aanwezig te zijn bij bedrijfsborrels, de kosten die je moet maken om representatief op je werk te verschijnen, de uren die je kwijt bent aan studie, de uren die je nodig hebt om in het weekeinde ‘bij te komen’. Afijn, vul zelf maar in.

ScreenShot208Bottom-line is dat je schrikt van het veel lagere bedrag dat je eigenlijk per uur verdient. En wat is het nut van dit besef? Dat is een van de scharnierpunten van dit boek of deze aanpak: dat alles wat je koopt gebeurt in ruil van bloed, zweet en tranen. Jij ruilt een aantal uren van jouw inspanning voor een product of een dienst. En waarom wil je dat dan weten? Omdat je voorraad uren écht is en vooral heel eindig. Je hebt maar 700.000 uren tot je beschikking als je 80 jaar oud wordt. Daar gaan heel wat uurtjes vanaf voor noodzakelijk slaap en eten en lang niet iedereen wordt 80.

Goederen en diensten worden uitgedrukt in levensenergie. Jouw levensenergie. En dat geeft een heel ander gevoel en meer bewustzijn. Volgens mij gaat het hier ook om een variant op Marx zijn arbeidswaardeleer?

Stap 4: houdt per dag exact bij wat er binnenkomt en uitgaat

Tot nu toe was het vrij filosofisch, nu begint het boekhouden (auteurs vergeten erbij te zeggen dat dit ook heel veel levensenergie kost, maar blijkbaar gaat het per saldo renderen). Je houdt in een kasboek (of spreadsheet) heel precies bij waar je dagelijks geld aan uitgeeft. Je maakt een aantal rubrieken als eten, kleding, huisvesting en schrijft op elke regel het bedrag dat je uit je portemonnee of via pin/chip hebt betaald. Je krijgt dan zoiets:

ScreenShot209Dit moet je dus maand in en maand uit blijven doen. Pas dan krijg je inzicht in je uitgaven en hoe die zich ontwikkelen.

Stap 5: wat betekenen die uitgaven in termen van levensenergie?

Weten waar je geld naar toe gaat is al een belangrijke stap. Nieuw is het om die bedragen per categorie te vertalen in termen van eindige levensenergie. Hoeveel uur bloed zweet en tranen betekent die vaste post huisvesting van € 850 per maand? Dus alle bedragen worden gedeeld door het échte uurloon dat we eerder hebben berekend.

ScreenShot210

En als je dan weet dat je huisvesting je elke maand 67 uur eindige levensenergie kost, relateer dat dan aan het besef van de voorraad uren die je nog maximaal rest in dit leven. De uren in dit staatje zijn overigens fictief, op zich al een aparte oefening dit eens serieus in te vullen.

Stap 6: de verandering

Eigenlijk zijn alle besproken stappen voorwerk en bewustwording. Nu begint de echte interventie. Als dit is wat het echt kost, dan moet je gaan nadenken over wat je echt wilt met de uren die je nog resten. Wat vind ik echt belangrijk, waar gaat het me om? Het halve boek bestaat uit besparingstips die zorgen voor minder uitgaven of hogere inkomsten bij eenzelfde of hogere kwaliteit. Als je vaak uit gaat eten en er geen lol meer aan beleeft, ga dan vaker zelf koken of desnoods iets halen. Of vorm een groep gelijkgestemden en kook voor elkaar bij toerbeurt. Dit soort voorbeelden zijn natuurlijk altijd persoonlijk, de een vindt zo’n tip geweldig en de ander lijkt het maar niets.

ScreenShot211Stap 7: bepaal je eigen hoera-punt

Dit is het tweede belangrijke scharnierpunt van het boek. Je gaat je eigen hoera-punt bepalen. Want je gaat minder uitgeven en dus meer overhouden. Dat wat je overhoudt ga je op een verstandige manier opzij zetten met rendement. Naast je inkomen uit werk komt er een steeds groter deel uit inkomsten op vermogen.

Het hoera-punt is het punt waarop je niet meer hoeft te werken. Naar mijn mening is dit financieel niet goed genoeg uitgewerkt. In de Engelstalige literatuur wordt hier vaak gesproken over een ‘crossing point. Dat is het punt waarbij het inkomen uit je vermogen gelijk is aan je uitgaven. Ergo: je hoeft niet meer te werken.

Maar in mijn optiek is het échte hoerapunt dat moment waarop je het door jouw gewenste uitgavenpatroon kunt handhaven zonder te (hoeven) werken en wel zodanig dat je opgebouwde netto vermogen precies ‘op’ is op het moment dat je sterft (of een nader te noemen bedrag waar je blij mee bent, bijvoorbeeld omdat je wel degelijk iets achter wilt laten). In een plaatje krijg je dan zoiets:

ScreenShot212Op internet zijn vele tools te vinden waarmee je kunt berekenen op welk moment je financieel onafhankelijk kunt zijn. De tool die ik in gedachten heb, heb ik nog niet gevonden. Bij veel tools kom je uit bij dubieuze tussenpersonen die handel ruiken. Maar nergens kun je het zo instellen dat je op een eindvermogen van 0 uitkomt. De verklaring is hoogstwaarschijnlijk dat het wiskundig een complex vraagstuk is (een zogenaamd 2-punts randvoorwaarde probleem) dat je in een excel-spreadsheet niet kunt oplossen.

De tool die mij het meest aanspreekt (neutraal en qua opzet nog het dichtst bij wat ik wil) is te vinden op htpp://www.derentenier.nl

Epiloog

Wat een geweldige manier om weer eens naar je werk en leven te kijken. En de aansluiting bij slimmefinanciering is veel groter dan ik had verwacht. Het gaat hier om een persoonlijke financiële situatie en niet om een maatschappelijk vraagstuk. Hoewel dat ook maar de vraag is: als iedereen op deze manier gaat consuminderen dan kan een maatschappelijk effect niet uitblijven. En mijn inzicht is dat je bij een bescheiden levenswijze je hoera-moment veel sneller kan bereiken dan ik voor mogelijk hield. Dan kan ik eindelijk blogs gaan schrijven over nieuwe boeken die uitkomen.

Rudy van Stratum

De prijs van een mensenleven (intro?)

Een kleine nabrander naar aanleiding van de bespreking van het boek van Michael Sandel ‘Rechtvaardigheid’ (blog van gisteren).

Sandel verwijst in zijn boek een aantal malen naar berekeningen van de prijs van een mensenleven. Vanzelfsprekend liggen dergelijke berekeningen uitermate gevoelig en dat is ook juist de reden waarom ze in een boek over rechtvaardigheid worden genoemd. Eerder hadden Stijn en ik al het idee opgevat om die berekeningen te gaan verzamelen en achtergrondinformatie erbij te zoeken. Om dat later weer in een overzichtje te gaan zetten, zoals dat dan gaat bij ons. Maar het is er nog niet van gekomen, dus dit is een klein beginnetje.

Exploderende benzinetanks: $ 200.000

Bij de Ford Pinto is er ooit sprake geweest van een extra beveiligingsmaatregel. Kosten van die maatregel $ 11. Bij een aantal exemplaren Pinto’s van 12,5 miljoen stuks betekent dat een kostenpost van $ 137,5 miljoen. De schatting was dat de maatregel 180 levens zou besparen alsmede 180 brandwondenslachtoffers. Ford deed de aanname (bron niet genoemd) dat een mensenleven $ 200.000 waard was en een gewonde $ 67.000 aan leed/kosten betekende. Totale besparing $ 49,5 miljoen. Ergo: de veiligheidsmaatregel was te duur, niet rendabel. Later is er een rechtszaak geweest en een boete opgelegd aan Ford.

Luchtvervuiling: $ 3.7 miljoen voor mensen jonger dan 70 jaar

In het kader van de toename aan luchtvervuiling en de daarmee samenhangende gezondheidseffecten, is er begin jaren 2000 door het Amerikaanse EPA gerekend aan de kosten van die vervuiling. Daar werd in de berekeningen toen uitgegaan van de waarde (prijs?) van een mensenleven van $ 3,7 miljoen voor mensen jonger dan 70 jaar en een stukje minder, $ 2,3 miljoen, voor mensen ouder dan 70 jaar. Oudere mensen waren minder waard want hadden korter te leven en dus minder tijd van genieten. Het rapport is later terug getrokken. Overigens is het beeld dat in berekeningen mbt milieuvervuiling mensen hoger in de boeken staan dan in ‘commerciële’ berekeningen, ook wel apart.

Sneller rijden: $ 1,4 miljoen

Uit een tijdelijke maatregel om de snelheid te beperken van 100 km/uur naar 90 km/uur kon worden afgeleid wat dat betekende aan minder dodelijke slachtoffers. Toen de snelheid later weer werd terug gezet naar de oorspronkelijke 100 km/uur is een berekening gemaakt die een impliciete prijs voor een mensenleven opleverde. De opbrengsten bestonden uit bespaarde reistijd á raison van $ 20/uur. Blijkbaar vonden we de extra doden opwegen tegen de voordelen van de kortere reistijd en was zo’n leven ons $ 1,4 miljoen waard. Geen discussie, snelheidsverhoging is gewoon intact gebleven.

Meer roken: $ 1237 per jaar besparing

Dit voorbeeld wijkt wat af. Het gaat om Phillip Morris (de tabaksverwerker) en het speelt zich af in Tsjechië. Daar ontstond een discussie om het roken terug te dringen. Philip Morris heeft om de negatieve effecten voor de business tegen te gaan berekend wat het de overheid zou kosten om het roken terug te dringen. Roken leidt weliswaar tot hogere kosten voor ziekenhuisopnames etc maar mensen gaan ook eerder dood. Dat betekent minder pensioenuitkeringen en minder kosten (gedurende de ‘bespaarde’ levenstijd). De overheid zou aldus deze berekeneningen $ 1237 per extra dode per jaar besparen. Alles bij elkaar (inclusief accijnzen) zou de overheid een strop krijgen van $ 147 miljoen per jaar. Veel discussie en uiteindelijk heeft Phillip Morris excuses moeten aanbieden voor deze ongepaste manier van rekenen en handelen.

Zomaar een paar voorbeelden. Gebrekkig want ik weet niet welke bronnen zijn gehanteerd noch hoe de berekeningen zijn gedaan, maar hoe dan ook, ik kreeg ze op een presenteerblaadje aangeboden en het lijkt me een aardige exercitie meer voorbeelden te verzamelen en de achtergronden/beperkingen van de berekeningen verder uit te diepen.

Rudy van Stratum

Het brein van de bankier (2)

Eerder schreef Rudy in het kader van de denkfouten (denkfout 23) al over de aflevering van Tegenlicht (van 1 januari j.l.) over het brein van de bankier. Ik heb er nog een paar maal naar gekeken en geprobeerd in een schema weer te geven wat hier nou eigenlijk speelt. Het past een beetje in mijn ambitie voor dit jaar om meer inzicht te krijgen in allerlei economische mechanismen.

Ik zie drie werelden, die van de bankier, die van de modellenbouwer en die van de buitenwereld. Die laatste zou je kunnen zeggen is eigenlijk de rest van de wereld (ikzelf dus en vermoedelijk ook de lezer van dit artikel). Zij hebben het maar te doen met wat die anderen aanbieden maar snappen daar weinig van. Tegelijk, ze zijn niet echt kritisch en goed van vertrouwen. Zo lang alles goed gaat wordt het wereldbeeld van deze drie groepen alleen maar bevestigd en versterkt. Als het fout gaat, heeft dat vooral gevolgen voor de buitenwereld.

Nu het systeem vastloopt wijst iedereen naar elkaar en proberen we door middel van regels het systeem te verbeteren. Vraag is of de verbetering niet veel meer gezocht moet worden in een verandering van ons wereldbeeld.

In de figuur met kleine letters (cursief) een verwijzing naar een aantal denkfouten die bij deze mechanismen een rol spelen (een aantal verschijnt binnenkort). Eén denkfout komt niet terug in ons dossier, de outcome bias. Dit wil zeggen dat een goed resultaat niet altijd het gevolg is van een goede werkwijze. Als je de werkwijze niet onderzoekt, of zoals hier een financieel product niet begrijpt, kan het goede resultaat ook gewoon toeval zijn. Zolang de economie groeide was het niet zo moeilijk om geld te verdienen.

bankier-01

Stijn van Liefland

Schuld: de eerste 5000 jaar (David Graeber) (3)

Schuld: de eerste 5000 jaar. David Graeber (2011-2012).

 

Stelling 5: het kapitalisme drijft op een aantal ‘markten’ waar geld en schuld nauwelijks een rol spelen.

Dit vind ik zelf als ‘burgerlijk econoom’ een van de meest interessante fenomenen. Het fenomeen is ook indringend beschreven in de jaren 30 door Ronald Coase (’the nature of the firm’) maar is binnen de economisch onderzoeksdomeinen nooit echt serieus opgepakt en uitgewerkt. De belangrijkste ‘markten’ (daar waar we spullen uitruilen) in ons systeem zijn niet gebaseerd op schuld en geld. Kijk naar je eigen gezin of naar je vrienden. Je gaat niet elke dag een maaltijd koken voor je gezin en bijhouden wat je van ze tegoed hebt. Je geeft je vrienden een biertje, haalt ze op van het station, komt opdraven als ze een probleem hebben, en je houdt nergens bij hoe het met de balans is gesteld. Kijk naar je dagelijkse werkkring. Natuurlijk heb je een contract met je baas. Daarin staat beschreven hoeveel uur je komt werken en wat je maandelijks krijgt bijgeschreven op de bank. Maar als je koffie gaat halen voor je collega’s, dan doe je dat zonder vergoeding. Als je baas vraagt of je op de terugweg naar huis ergens een pakje kunt afgeven, dan ga je daar niet uitgebreid over staan te onderhandelen. Je doet het vanuit het vage besef dat het wel goed komt. Binnen een bedrijf spreek je loon en arbeidsvoorwaarden af voor langere tijd, je gaat niet dagelijks checken of je elders meer kunt verdienen en daarover in onderhandeling met je baas (je zult er namelijk in no-time uitliggen). Het gaat hier om ‘interne markten’ waar het efficiënt is om binnen een zeker vertrouwenskader dingen voor elkaar te doen die ‘in the end’ wel goed komen. Ook hier geldt dat er grenzen zijn en dat de balans wel ergens wordt opgemaakt. Maar niet op een kwantificeerbare en anonieme manier.

Het kapitalisme met geld, schulden en anonieme transacties zou niet kunnen bestaan als de andere ‘fuzzy’ markten niet als basis van het grote bouwwerk zouden bestaan. Dit is overigens ook een stelling, of ie ‘waar’ is weet ik niet, maar ik ben bereid hem te aanvaarden.

Stelling 6: De maatschappij is zich gaan vormen naar de taal en het denken van economen.

Economie wordt in de tekstboeken gestart met het werk van Adam Smith (1776, ‘The wealth of nations’). Natuurlijk is economie als wetenschap veel wiskundiger geworden (veroorzaker van deze stroming: David Ricardo, 1819). Smith werkte niet met modellen maar eigenlijk wilde hij dat wel. Hij leefde in de tijd dat Newton zijn grote natuurkundige systeem had bedacht. Exacte voorspelbare systemen met echte objectieve natuurwetten die de banen van de objecten bepalen. Smith zal zeker hebben gewerkt vanuit de gedachte een bijdrage aan deze nieuwe traditie te leveren. Een maatschappij waarin onderlinge ruiltransacties verlopen volgens objectieve regels over prijzen en waarden.

De stelling van Graeber is dat de economie als vak gekleurd is door deze context van natuurkundige wetten. Op zich hoeft dat niet verkeerd te zijn. Maar …. De economie is zo dominant geworden dat het handelen van ‘actoren’ of ‘agenten’ bepaald wordt door de fictieve verhalen van Adam Smith en zijn volgers. De taal van economen gaat een eigen leven leiden. Iedereen met een management-functie wordt verondersteld een zekere basiskennis te hebben van de economie en krijgt dit gedachtengoed voorgeschoteld. Zonder dat je dat wilt of weet ga je de wereld door deze bril zien. Je denkt in termen van markt, efficiëntie, transacties, groei, toegevoegde waarde, prijsvorming, geld, schulden. En uiteindelijk gaat de werkelijkheid zich naar het model zetten in plaats van andersom. We vergeten dat er ook hele andere manieren zijn om met elkaar deze planeet in te richten. Het lijkt een natuurwet: zo gaan die dingen nu eenmaal, ik doe ook maar wat ik moet doen.

Overigens blijkt Adam Smith veel van zijn werk ontleend te hebben aan oudere geschriften. Zelfs het beroemde voorbeeld van de arbeidsdeling in de naaldenfabriek schijnt al honderden jaren daarvoor beschreven te zijn. Ik wist het in ieder geval niet.

Evaluatie

Ik weet nog niet goed wat ik van het boek moet vinden. Ik weet dat Graeber een origineel denker is, die allerlei ingrediënten op een voor mij onverwachte wijze in een nieuw perspectief plaatst. Het blijft in mijn hoofd rondzingen. Dat is goed, dat is mooi, dat is nodig. Maar wat wil hij nu zeggen? Wat betekent dit nu voor ons? Welk handelsperspectief wordt hier geboden? Hoe moeten we verder? Hij zegt ook ergens dat hij niet de intentie had met dit boek oplossingen te willen aandragen, dus dat klopt dan wel.

Maar, en dat is het dubbele, de laatste 50 pagina’s vertellen tussen de regels door toch wel een verhaal. We zitten in een systeem waarvan we denken dat het het enige systeem is dat mogelijk is. We voegen ons allemaal in dat systeem. En het systeem heeft als interne dynamiek eeuwige groei en eindeloze schulden. En de uiterste consequentie is een crash omdat elke nieuwe (gedwongen) expansie alleen maar kan bij gratie van het aanboren van nieuwe resources, slaven, armen, onderdrukten. Maar kunnen we zomaar terug? De zogenaamde oervormen van schuld gingen ook gepaard met excessief geweld en slavernij, dus dat lokt ook niet. En hoe zit het met de niet te ontkennen ‘bijproducten’ van onze verslaving aan groei en expansie: technologische innovatie, hogere welvaart, betere gezondheid en langere levensduur? Kan niet anders dan dat hij een tweede deel moet schrijven: schuld, de volgende 5000 jaar.

Dit is het laatste deel in deze serie.

Rudy van Stratum, november 2012

 

 

 

 

Schuld: de eerste 5000 jaar (David Graeber) (2)

Schuld: de eerste 5000 jaar. David Graeber (2011-2012).

 

Stelling 3: Niet schuld is een probleem, maar ‘money is the root of all evil’.

Hoe zit het dan met geld? Aan geld is in kleine maatschappijen dus eigenlijk geen behoefte. Geld doet pas zijn intrede als maatschappijen groter en anoniemer worden. Graeber stelt dat de opkomst van geld samen gaat met de opkomst van heersers en oorlogen. Geld is oorlog en onderdrukking. Een heerser heeft een leger nodig om te kunnen veroveren. De vraag is wie de soldaten te eten geeft? De meest basale methode is om een land binnen te vallen en iedereen met de dood te bedreigen. Vervolgens zeg je dat je ze best wilt laten leven maar dan moeten de ‘geknechten’ wel zorgen voor brood en onderdak voor de soldaten. Afijn, roven en plunderen wordt op deze manier een weinig subtiele en vermoeiende bezigheid. Het behoeft voortdurend onderhoud en intimidatie. Tot een koning bedacht: als ik nu al mijn soldaten een muntje geef? Met dat muntje kunnen ze dan bij de inlanders een brood kopen. Maar waarom zouden de inlanders dat muntje accepteren in ruil voor een brood? Welnu, omdat de koning accepteert dat de verplichting die hij aan de inlanders heeft opgelegd mag worden betaald met die muntjes. Geld is belastingheffing zonder rechtstreeks geweld toe te hoeven passen.

Overigens stelt Graeber dat dit mechanisme tot op de dag van vandaag gewoon opgeld blijft doen. Geld is expansie, is onderdrukking, is oorlog. De oorlogen in Vietnam en Afghanistan zijn nodig om de carroussel van groei door te kunnen laten gaan. Het systeem is voortdurend op zoek naar nieuwe slaven die bereid (?) zijn offers te brengen voor het genot van een kleinere elite.

Maar dit is eigenlijk nog niet de kern van geld en waarom dit ‘kwaad’ is. Het kenmerk van geld is dat het exacte kwantificeerbare relaties legt met de goederen of diensten die je ervoor kunt kopen. De uitvinding van geld betekent het los kunnen laten van de oudere concepten van vage en moreel beladen schuldnoties. Ineens is het volstrekt helder wat ik precies van wie tegoed heb. Geld kwantificeert en anonimiseert. Geld tilt een maatschappij uit de sociale verbondenheid naar een hoger en abstracter niveau. De mens wordt verschoven van een sociaal wezen in een gemeenschap naar een actor die gedefinieerd is in termen van ruil en goederen. Door het ontstaan van geld, aldus Graeber, kunnen wij nu met droge ogen beweren: ja, ik snap wel dat er miljoenen kindertjes dood gaan in de derde wereld, maar ze hebben toch gewoon een schuld die moet worden terug betaald? Geld en schuld (in termen van geld) demoraliseert onze onderlinge verhoudingen. Het legitimeert als het ware verdere onderdrukking en uitbuiting.

Een nuancering. En misschien mijn invulling van wat Graeber beweert. Je zou kunnen denken dat in deze visie geld een instrument is dat is bedacht door de heersers om anderen te onderdrukken. Maar in feite gaat het hier om een autonome dynamiek. Je komt terecht in een groter systeem waarin ieder zijn rol speelt en moet spelen. Als de schuld er eenmaal is, achtervolgt hij je. Een mooie illustratie is het verhaal van de Spaanse Conquistadores bij de ontdekking van de nieuwe werelden. Een avonturier ziet in de nieuwe werelden zijn kans op fortuin. Hij heeft geld nodig voor de boot en het inhuren van manschappen. Hij leent geld van de koning om een expeditie te starten. De manschappen moeten onderweg betalen voor alles wat ze eten en aan verzorging nodig hebben. Eenmaal aangekomen bij de Azteken (ik noem maar wat) blijkt dat als ze niet oppassen ze met een restschuld huiswaarts moeten keren. Dit is de legitimatie om flink te plunderen en te moorden. Als ze thuis zijn terug gekeerd en de koning zijn beloning opeist, blijken ze weer op wereldreis te moeten om hun levenswijze te kunnen voortzetten. En zo verder en zo verder.

Stelling 4: Het bestaan van markten impliceert nog geen kapitalisme.

In de beschrijvingen van Graeber verwatert het verschil tussen kapitalisme en communisme. Wat voorbeelden om dit te verduidelijken. Stel je leeft in een communale gemeenschap. Een gemeenschap waar in wezen alles voor iedereen is: je draagt bij naar kunnen en krijgt naar behoefte. In een eerdere stelling had ik al laten zien dat het ook hier slechts goed gaat binnen zekere geaccepteerde grenzen. Je kunt niet eindeloos van de pot profiteren, ergens in het systeem wordt toch de balans opgemaakt. Parasieten worden (desnoods met geweld) uit het systeem gekieperd. Andersom: ook het kapitalisme (waarin van jou is wat je eigendom is) kent zijn grenzen. Graeber komt met een voorbeeld uit een (eigendoms) cultuur: als iemand zegt dat je zo’n mooie sjaal om hebt, dan betekent dat dat hij die sjaal graag wil hebben, de cultuur bepaalt dan dat je hem die sjaal ook daadwerkelijk geeft. Vanzelfsprekend bouw je dan wel een schuld op en de rekening moet wel weer een keer worden vereffend (sta niet raar te kijken dat deze weldoener een week later jou of je familie een compliment geeft!). Ook in ons hedendaags kapitalisme kun je natuurlijk niet onbeperkt je gang gaan. Het systeem stelt uiteindelijk grenzen aan wat je wel of niet kunt doen.

Markten zijn efficiënte vormen van elkaar ontmoeten en goederen uitwisselen. Ze zijn van alle tijden en hebben niets met kapitalisme ‘as such’ te maken. Sterker nog: Graeber beweert dat het ontstaan van markten als instituties historisch altijd te maken heeft met de opkomst van staten en regelingen/verplichtingen (oftewel: markten zijn een reactie op overheidsbemoeienis). Wat wil Graeber hier eigenlijk mee zeggen? Dat is het rare van het boek. Ik zou formeel kunnen zeggen: helemaal niets, hij constateert dat gewoon. Maar ergens bekruipt me toch het gevoel dat de boodschap is: als je markten fijn vindt dan kun je dat ook ervaren in andere samenwerkingsverbanden dan alleen die van kapitalisme.

Stelling 5 en 6 en evaluatie in 3e en laatste deel

Rudy van Stratum, november 2012

 

 

 

 

Welvaart zonder groei (Prosperity without growth)

Rudy heeft eerder het boek Prosperity without Growth van Tim Jackson besproken. Inmiddels is er ook een Nederlandse versie verschenen (welvaart zonder groei), een mooie aanleiding om het boek alsnog te lezen. Ik had een beknopte samenvatting gemaakt maar die komt vrijwel overeen met het verhaal van Rudy dus dat laat ik achterwege. Hier mijn persoonlijke reflectie en het advies aan iedereen om het boek ook maar eens te lezen.

Toen ik studeerde (milieuhygiëne in Wageningen) hadden we het vaak over hoe slecht het ging met de wereld en de conclusie was altijd, de wereld gaat ten onder (eerder op de korte termijn dan op de lange). Gesteund uiteraard door diverse publicaties die dat ook bevestigden. In de loop van de jaren ben ik daar anders over gaan denken. Voorspellingen komen niet uit (de olie is voorlopig nog niet op), mensen blijken toch inventiever (efficiency winst leidt tot een enorme afname van milieubelasting ) en uiteindelijk blijken we ook in staat internationale afspraken te maken en na te komen (bijvoorbeeld over de uitstoot van CFK’s, tasten de ozonlaag aan). Dat stemt positief, blijkbaar is er een economie mogelijk die groeit en tegelijkertijd tot een lagere belasting van onze omgeving leidt.

Tim Jackson laat een kritisch geluid horen. Als eerste de aanname dat het goed is de economie te laten groeien. Waarom eigenlijk? Leidt dat tot meer mogelijkheden tot zelfontplooiing? Is dat beter voor ons welzijn (gezondheidszorg, onderwijs etc.)? Of, is het belangrijk voor het in stand houden van ons economisch systeem? Na analyse blijft uiteindelijk alleen de laatste reden over, ons sociaal economisch systeem functioneert alleen bij groei (kijk hiervoor nog even in de samenvatting van Rudy).

Volgende vraag is dan of die groei mogelijk is met minder milieubelasting, ook wel genaamd ontkoppeling. Helaas, het antwoord is nee en vrij eenvoudig te volgen. Jackson maakt onderscheid in relatieve en absolute ontkoppeling. Er is sprake van relatieve ontwikkeling als de milieubelasting per eenheid product afneemt, absolute ontkoppeling vindt plaats als bij economische groei de totale milieubelasting afneemt (dus economische groei, maar bijvoorbeeld minder uitstoot van CO2). Bij relatieve ontkoppeling kan als gevolg van een toename van de wereldbevolking en een toename van de consumptie de milieubelasting in absolute zin nog steeds stijgen, bij absolute ontkoppeling niet.

Er is enig bewijs dat relatieve ontkoppeling werkt. Echter zeer gering en zeker niet voldoende om de economische groei bij te houden. Om relatieve ontkoppeling te laten werken moet de efficiencyverbetering  (op milieugebied) gelijk opgaan met de economische groei, dan blijft in absolute zin de milieubelasting gelijk. Mogelijk is hiervan sprake in een aantal ontwikkelde landen in Europa. Wat echter in dat soort berekeningen niet meegenomen wordt is dat een groot deel van de productie (en milieubelasting) is verplaatst naar Azië. Het is lastig dat allemaal door te rekenen, maar de conclusie van Tim Jackson is wel dat relatieve ontkoppeling tot nu toe een gering resultaat heeft. Als relatieve ontkoppeling niet werkt hoeven we het al helemaal niet meer over absolute ontkoppeling te hebben.

Uiteindelijk kan je dan niet anders dan concluderen dat voortdurende economische groei op enig moment de draagkracht van de aarde te boven gaat. Ik blijf toch wel een optimist en zie dat niet binnen 30 – 50 jaar gebeuren. Maar ooit, over 50, 100, 200 jaar of wellicht toch eerder (dan is mijn optimisme onterecht) is het zover. Je mag hopen dat we het nog op tijd aan zien komen en een poging kunnen ondernemen het tij te keren. Dat betekent schakelen naar een ander economisch systeem dat niet gebaseerd is op groei maar op stabiliteit of wellicht zelfs op krimp. Jackson betoogt dat er in het geheel geen plan B voor ons economisch systeem beschikbaar is. Als we morgen constateren dat we vanaf nu moeten stoppen met groeien (en er zijn natuurlijk al wetenschappers die dat beweren) dan hebben we geen flauw idee hoe we de economie draaiende moeten houden. Hoe komen we dan van onze schulden af, hoe houden we publieke voorzieningen in stand, hoe komen we tot een eerlijke verdeling van welvaart?

Het gemis in het boek vind ik dat Jackson niet echt een perspectief weet te schetsen. Of laat ik het anders zeggen, niet een perspectief dat mij overtuigt. Meer waarde hechten en identiteit ontlenen aan niet materiële zaken is zo’n beetje de boodschap. Daar ben ik het natuurlijk mee eens maar een cruciale vraag is wel, hoe gaat de transformatie van naar een ander systeem in z’n werk, welke stappen moeten we zetten, welke problemen komen we tegen en hoe pakken we die aan? Laten we er maar van uit gaan dat Jackson hard werkt aan een vervolg dat een antwoord geeft op een aantal van deze vragen.

Het boek heeft toch wel iets interessants met me gedaan. Was ik de afgelopen jaren positief gestemd, nu kijk ik er toch weer anders tegenaan. We kunnen niet eeuwig doorgaan met dit systeem, wanneer het vastloopt weten we feitelijk niet, maar als het vastloopt hebben we geen idee hoe we het anders aan moeten pakken. Ons voornemen is hier binnenkort een serie artikelen aan te wijden. Dat vraagt echter eerst wat studie dus dat stellen we nog even uit. Tot dit tijd zijn suggesties welkom.

Stijn van Liefland

Filosofisch intermezzo (1): duurzaamheid en groei

Twee dingen hebben mij afgelopen week getriggerd:

  • De column van Bas Haring in de Volkskrant over economie. Haring is filosoof én heeft besloten zich te gaan verdiepen in de achtergronden van het vak economie. Hij is nog maar net begonnen (pas op, daar zit weer een boekje aan te komen op termijn! Ga maar vast nadenken over een grappige titel á la Plastic Panda’s. Iets van ‘dure economen’, ‘groei in de uitverkoop’?). Ik ben nog niet heel enthousiast maar afgelopen week trof ik een eye-opener bij Haring aan (waarover zo dadelijk meer).
  • Mijn 2 vorige blogs over de waarde van natuur (mag dat wel?) waar ik bij wat literatuur-onderzoek aanliep tegen toch wel wat misverstanden over het vak economie. Het lijkt soms wel of economie het tegengestelde wil doen van wat duurzaamheid beoogt. Dat is volgens mij niet of slechts ten dele het geval.

Ik heb geen doortimmerd verhaal maar een paar kleine elementjes die onderling samenhangen en wellicht wat discussie kunnen stroomlijnen over de relatie tussen economie en duurzaamheid.

De kern

De eerste vraag die ik mezelf stelde was: waar gaat het nu écht om in het leven? Dat is natuurlijk dat je kunt (over-) leven. Dat betekent dat je voldoende eten hebt en in goede gezondheid verkeert. Dit is een minimum. Maar alleen eten en in goede gezondheid, dat kan niet het hele verhaal zijn. Je wilt ook kunnen genieten, fun hebben, leuke dingen doen en vrije tijd hebben.

Is dat het dan? Lekker eten en leuke dingen doen klinkt leeg. Mensen willen worden gewaardeerd. Om in goede gezondheid te leven moet je jezelf accepteren en waarderen en het is nog mooier als je ook waardering krijgt van anderen (of andersom). Dit lijkt een beetje op een afgeslankte vorm van de Maslow-piramide.

Met wat goede wil zou je kunnen zeggen: dit zijn de ingrediënten van wat economen de nutsfunctie noemen. Er zit in wat wij waarderen en belangrijk vinden. Dus als wij maar zoveel mogelijk gezond zijn, fun hebben en gewaardeerd worden: dan hoeft de rest niet meer zo nodig, dan is het goed.

Merk ondertussen op: geld speelt hier geen enkele rol (je hebt wel geld nodig om deze zaken te bereiken maar geld op zichzelf zit niet in het basisblok), economische groei is niet aanwezig (en komt pas later in het plaatje terecht).

Maar dit kan het ook niet zijn: waar blijft de bezieling en de passie en de drive om te willen blijven leven? We willen toch verder, ons ontwikkelen, groeien, ontdekken?

Talenten

We hebben al deze zaken nodig om uiteindelijk in staat te zijn om …. Aanvankelijk dacht ik: om te kunnen groeien. Maar groei kan nooit een doel op zich zijn. Waar leidt groei dan toe, waarom groei? Groei moet uiteindelijke ook weer tot iets ‘beters’ leiden.

Het zou iets met talent of capaciteit te maken kunnen hebben. Ik kan er weer een economische invulling aan geven: mensen hebben de neiging (scheppen er genoegen in, zijn er op uit etc) om hun talenten tot ontwikkeling te brengen, ze doen graag waar ze goed in zijn, of willen ergens goed in zijn of worden. Ik kan het zien als een economische concept omdat het gaat om de maximale benutting van je talenten en capaciteiten. Zolang er nog sprake is van braakliggende en onderbenutte talenten is er nog potentie om verder te groeien, om mooiere en betere dingen te doen. Onderbezetting of onderbenutting (van talenten en capaciteiten) is hier het toverwoord.

Dus uiteindelijk hebben we voeding, gezondheid, rust en waardering nodig om onze talenten maximaal tot uitdrukking te brengen.

Het gaat niet om economische groei sec. Groei is het gevolg van benutting van talent.

Minimalisering van pijn

Maar in dat proces van maximale benutting van talent (bij voldoende aanwezigheid van voedsel en vrije tijd en waardering) gaat er ook van alles mis. Noem het ‘collateral damage’, ongewenste bij-effecten. In onze dagelijkse activiteiten produceren we vervuiling, armoede, oorlog, vernietiging, ongelijkheid en zo verder. Uiteindelijk beïnvloedt dat weer onze mogelijkheid om te eten, gezond te zijn en gewaardeerd te worden.

Bas Haring zei in zijn laatste column: het gaat me niet om het maximaliseren van geluk of welbevinden, ik ben meer geïnteresseerd in het minimaliseren van ongeluk of pijn. En hebben economen daar iets over te zeggen? Ik weet niet of ik het er mee eens ben, maar het is een interessante gedachte. Ik denk dat het gaat om het maximaliseren van je talenten en capaciteiten onder minimale vervuiling en pijn als een randvoorwaarde. Je mag het ook optimaliseren onder randvoorwaarden noemen want uiteindelijk werken als deze zaken op elkaar in. Bij vervuiling zou je nog kunnen spreken van minimale vervuiling (want ik zie zo snel niet wanneer vervuiling iets zou toevoegen) maar bij ongelijkheid is het niet per se minimale ongelijkheid. Een te grote ongelijkheid kan weer leiden tot mogelijke onderbenutting van talent of gebrek aan waardering.

Het model: economie en duurzaamheid

Als we alle elementen in onderlinge samenhang bij elkaar brengen krijgen we het volgende:

Dus in dit filosofisch intermezzo is mijn stelling dat we uiteindelijk onze talenten maximaal willen benutten. Om dat te kunnen doen hebben we eten nodig en waardering. Maar tijdens de rit kan er van alles fout gaan en wel zodanig dat onze doelstelling om talenten maximaal te ontplooien in het gedrang komt. We moeten rekening houden met de ongewenste bij-effecten, anders is ons handelen niet vol te houden, niet duurzaam. Voeding en vervuiling zijn dus de begrenzing van wat we maximaal aan talent kunnen ontwikkelen.

Twee vragen die nog leven (nog wel meer, maar deze komen nu bij me op):

  • Is het nu echt zo dat we ‘meer’ willen als we toch voldoende voedsel, rust en waardering hebben? Zijn we als mensen wezenlijk anders dan een leeuw die het dan wel best zou vinden (eten, slapen, sex)? Of wil een leeuw ook meer dan dat? Hij wil sex met méér vrouwtjes, dus moet hij steeds vechten om dat te bereiken. Zo bezien is ook een leeuw nooit klaar? Ik ben benieuwd in de visie van een bioloog. Vanuit de psychologie zal hier ook meer over te zeggen zijn. Een econoom stelt zich ‘neutraal’ op: ‘ik heb hier geen verstand van, vertelt u mij maar wat belangrijk is en dan stop ik het in mijn model’. Input vanuit de biologie of psychologie is data voor het model.
  • Als dit modelletje klopt: zitten we dan onvermijdelijk vast aan groei? Ja en nee. Ja omdat er altijd dynamiek en aanpassing zal blijven. Nee omdat de vraag waarschijnlijk is ingegeven door de verzuchting dat er grenzen zijn aan groei. Maar nergens stel ik dat groei per se gekoppeld moet worden aan materiële welvaart in termen van steeds meer ‘stuff’ (zie Tim Jackson’s boeken). Je kunt ook groeien in steeds minder vervuilende technologieën verzinnen, of in steeds efficiëntere medicijnen bedenken.

Rudy van Stratum

Slag om Nederland aflevering 20: denkfout monumenten?

Gisteren alweer de 20e aflevering van het inmiddels vermaarde programma ‘De slag om Nederland’. Ik grijp het aan om kort een verband te leggen tussen deze aflevering, het interview met Ira Helsloot over veiligheid (vorige week in de media) en ons dossier ‘denkfouten’.

De casus

Het gaat om een groot voormalig opleidingsinstituut in Vlodrop, gebouwd begin vorige eeuw. De nieuwe eigenaar (stichting Meru) wil het pand graag slopen en het terrein opnieuw inrichten en bebouwen. In essentie is het nu een juridische kwestie geworden waarvan de afloop voorlopig nog niet vast staat. Maar daar gaat het me niet om. Ook spelen er op de achtergrond ongetwijfeld belangen van huidige bewoners in de omgeving (die het pand mooi vinden etc). Ook daar gaat het me niet om. Waar het mij om gaat is of het pand wel of niet als monument moet worden gezien en dus beschermd moet worden tegen sloop. Ik heb daar inhoudelijk geen mening over maar ik kijk naar wat de geïnterviewden hierover zeggen en wat me opvalt.

Monument

Het eerste dat opvalt is dat specialisten en kenners (wat is precies de definitie daarvan?) het onderling niet eens zijn over wat een monument is of moet zijn. Er zijn voor- en tegenstanders van monument-status en beiden mogen zich beroepen op hun expertise. In die zin ligt het hier niet anders dan de discussie over de crisis onder economen of de discussie over de opwarming van de aarde onder ecologen. Het tweede dat opvalt is (als ik de uitspraken van een van de geïnterviewden mag geloven) dat de status van monument vorming niet goed is onderbouwd. Het gaat hier vooral om stellingnames zonder transparantie onderbouwing en achterliggende criteria.

Ingehuurd voor de taak

Maar waar het me echt om gaat is, en nu kom ik bij de link naar de veiligheid van Ira Helsloot, is hoe een commissie die gaat over momument vorming mogelijk functioneert. Helsloot beweert dat een speciaal in het leven gestelde groep die gaat over veiligheid van bijvoorbeeld tunnels haar werk serieus zal nemen en de ene verbetering na de andere zal voorstellen. ‘Weer een uitgang erbij en de tunnel wordt de veiligste ter wereld’. Dit fenomeen appelleert aan onze neiging alle (grote) risico’s uit te willen sluiten en ons niet voldoende bewust te zijn van de enorm toenemende kosten enerzijds en de onmogelijkheid (illusie) van het echt uitsluiten van alle risico’s anderzijds. Er moet voor een evenwichtige besluitvorming over veiligheid dus een tegenkracht worden ingebouwd en die zal meestal te maken hebben met antwoorden op vragen als ‘wat mag het kosten’ of ‘wat is een acceptabel risico’.

Mogelijk speelt bij monument commissies hetzelfde fenomeen. Het is, gechargeerd gezegd, hun taak zoveel mogelijk gebouwen op de monumentenlijst te krijgen. Als achteraf een gebouw mist valt hen wat te verwijten, als er wat teveel op staan is dat minder erg. Maar zoals een van de geïnterviewden stelt: van monumenten die buiten alle discussie monumenten zijn (de Sint Jan in Den Bosch bijvoorbeeld) is het al een ‘hell of a job’ om ze in de lucht te houden’ vanwege de hoge kosten. Wie gaat dat dus allemaal betalen, en voor wie doen we het eigenlijk? Het is kortom ook een taak van zo’n commissie om selectief te zijn, niet te veel en niet te weinig monumenten. Het aanwijzen van te veel monumenten kan zelfs betekenen dat de echte monumenten in hun voortbestaan worden bedreigd.

Ook bij monument vorming moeten dus vragen worden gesteld over wat een acceptabel verlies van oude panden is (wellicht zeg je over 100 jaar dat je dat pand niet had mogen slopen, dat risico volledig uitsluiten kost proportioneel veel geld) en wat een acceptabele jaarlast per vierkante meter instandhouding is bij een specifieke nieuwe bestemming of gebruik. Voor wie doen we het en wat mag het kosten? Het zijn vragen waar je blijkbaar niet aan ontkomt.

Rudy van Stratum